Download onderwijsarrangement

Door het aanpassen van het standaard onderwijsarrangement door middel van de vinkjes creeert u een persoonlijk onderwijsarrangement. U dient een naam op te geven om het onderwijsarrangement te kunnen downloaden. Indien u een standaard onderwijsarrangement wilt, klikt u dan op annuleren en zorg ervoor dat alle vinkje aan staan voordat u op opslaan klikt.

×
Uw onderwijsarrangement wordt aangemaakt. Een ogenblik geduld.×

Doof en slechthorend licht onderwijsarrangement vanaf 12 jaar

Doelgroep

Kinderen met Doof / Slechthorend > 12 jaar

Uitgangspunt

Uitgangspunt van een licht onderwijsarrangement is dat de leerling onderwijs krijgt op een reguliere school.

Onderwijsmateriaal & Curriculum

Dienstverlening kan op basis daarvan bestaan uit directe en indirecte begeleiding. Directe begeleiding vindt plaats met de leerling of met een groep(je). Indirecte dienstverlening kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de handelingsverlegenheid van de docent, schoolsysteem, deskundigheidsbevordering-cluster 2 op de werkvloer en in het schoolteam.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Uitgangspunt in het licht onderwijsarrangement is dat zo min mogelijk wordt afgeweken van het reguliere curriculum.

Technische of onderwijskundige aanpassingen worden binnen het reguliere lesprogramma gerealiseerd.

Toegankelijk maken van leerstof wordt ondersteund en/of uitgevoerd door de medewerker cluster 2.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
E

Aangepaste instructie

E3

Het aanbieden van complexe begrippen wordt niet vermeden. Er wordt een toegankelijke definitie en/of een voorbeeld  gegeven. Omschrijven, herhalen en begrip controleren.

E4

Voor leerlingen met Ambulante Begeleiding wordt een tolk NGT/NmG of een schrijftolk NL ingezet als de leerling daarmee de instructie beter kan volgen, meer informatie op kan nemen en hierdoor hogere onderwijsresultaten behaalt.

E5

De leerkracht is zich doorlopend bewust van het feit dat als gevolg van het gehoorverlies leerlingen informatie kunnen missen. Dit geldt voor de instructie in het gesproken Nederlands, maar ook voor instructie in de Nederlandse gebarentaal. Wanneer een leerling wegkijkt wordt ook deze vorm van informatie gemist.
De leerkracht vat instructie regelmatig samen of vraagt dit aan een leerling en stelt waar nodig controlevragen om te beoordelen of de instructie waargenomen en begrepen is. De leerkracht weet hierin te doseren zodat leerlingen geboeid blijven om de instructie te volgen en niet afhaken vanwege te veel herhalingen en onderbrekingen van de instructie.
De leerlingen leren naarmate zij ouder worden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het waarnemen van de instructie. Zij leren aan te geven als deze voor hen onvoldoende toegankelijk is qua vorm of inhoud.

E6

Om (complexe) lesstof toegankelijk te maken worden belangrijke begrippen vooraf uitgelegd (pre-teaching). Voor sommige leerlingen is er extra training noodzakelijk van deze begrippen (re-teaching).

E8

Schriftelijke opdrachten die qua taalbegripniveau te complex zijn om zelfstandig te verwerken worden vooraf mondeling besproken en waar nodig aangepast. Modelling (hardop denkstrategieën verwoorden, voordoen/nadoen) is de techniek die de leerkracht inzet om leerlingen toe te leiden naar het zelfstandig verwerken van schriftelijke opdrachten.

E9

Het werkgeheugen voor het verwerken van achtereenvolgende (waaronder visuele) informatie is beperkter.
Medewerkers passen taken aan waarbij een beroep gedaan wordt op het onthouden van deze vorm van informatie. Ook trainen ze dit werkgeheugen door leerlingen langer wordende reeksen met opeenvolgende informatie (bv. reeksen woorden) te laten verwerken.
Het ruimtelijk geheugen is bij veel leerlingen sterker ontwikkeld. Leerkrachten geven leerlingen kansen om hun talenten op dit gebied te ontwikkelen.

E10

Er worden (visuele) handelingswijzers toegepast om leerlingen in staat te stellen zelfstandig opdrachten te verwerken.

E12

Het begrijpen van lesstof is niet vanzelfsprekend als voldaan wordt aan de ogenschijnlijk optimale toegang tot communicatie die gerealiseerd kan worden door bijvoorbeeld extra visualisatie.
Door de beperkte woordenschat en het informatietekort begrijpen dove en slechthorende leerlingen vaak minder dan wij, maar ook minder dan zij zelf soms denken. Er wordt regelmatig een samenvatting gegeven van de behandelde lesstof en er worden controlevragen naar begrip gesteld.

E13

Het model van directe instructie wordt gehanteerd en helpt leerlingen het doel van de activiteit te begrijpen en richt hen op de opbrengst van een lesactiviteit.

E14

Medewerkers zorgen ervoor dat het doel van de onderwijsactiviteit centraal blijft staan. Ondanks het feit dat veel dove en slechthorende leerlingen moeite hebben met het verwerken van talige (schriftelijke) informatie. Een reken- of aardrijkskundeles wordt geen taalles.

E15

De leerkracht compenseert het tekort aan taalbegrip door de aangepaste instructie. De inhoud van de lesstof wordt daardoor begrepen en nieuwe talige begrippen worden aangeleerd.

Mogelijke activiteiten in het lichte onderwijsarrangement:

Ten behoeve van de leerling

Specifieke interventies gericht op de taalontwikkeling van dove en SH kinderen.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch klimaat

A14

Medewerkers hebben inzicht in het taalontwikkelings-niveau en de spraakontwikkeling van de individuele leerling.
Ze sluiten in hun communicatieve benadering aan op dit niveau door leerlingen talig te benaderen in de zone van de naaste ontwikkeling. Dit gebeurt ten aanzien van de woorden- (en gebaren-)schat, de grammaticale ontwikkeling op woord- (en/of gebaar-) en zinsniveau en ten aanzien van het gebruik van de taal in specifieke situaties.

Wanneer zij werken met de groep differentiëren zij ten aanzien van hun communicatie en taalaanbod binnen de groep.

A16

Medewerkers gebruiken methodieken die de taal- en denkontwikkeling van kinderen stimuleren. Verschillende taal- en denkvaardigheden worden getraind, zoals oorzaak-gevolg, overeenkomsten/verschillen en het bedenken van oplossingen.

A17

Leren discussiëren is een complexe taal- en denkvaardigheid voor leerlingen in cluster 2. Het is een belangrijk doel in het onderwijsprogramma op een cluster 2 school. De leerlingen leren expliciet strategieën en vaardigheden om te kunnen discussiëren.

C

Specialistisch en intensief taalonderwijs

C4

Talige informatie en nieuwe begrippen worden gekoppeld aan de ervaringen van leerlingen.

C5

Het aanleren van schooltaalbegrippen (bv. samenvatten, aantekenen, onthouden etc.) en vaktaal krijgt gerichte aandacht.

C8

In het taalonderwijs is er expliciete aandacht voor training van woord- en zinsbouw (morfologie en syntaxis). Ook worden leerlingen getraind in het gebruik van passend taalgebruik in specifieke situaties (pragmatiek). Zij trainen dit expliciet bijvoorbeeld aan de hand van rollenspellen waarbij de talige interactie voorop staat.
Tevens is er expliciete aandacht voor verhaalopbouw, communicatieve functies en conversatievaardigheid.

C9

Figuurlijk taalgebruik is extra moeilijk voor dove en slechthorende leerlingen. Dit wordt extra uitgelegd. Leerlingen leren veelvoorkomend figuurlijk taalgebruik te herkennen en trainen dit in.

C10

Taal loopt als een rode draad door het onderwijs-programma en is dus ook bij de overige vakken een belangrijk aandachtspunt zonder het onderwijsdoel van het betreffende vak uit het oog te verliezen. Dit betekent dat talige begrippen die noodzakelijk zijn om de lesstof van het betreffende vak te kunnen verwerken vooraf besproken en waar nodig getraind worden.

C13

Het leren uitpreken van vreemde talen krijgt specifieke aandacht van de leerkracht en de logopedist.

C14

De taalontwikkeling wordt zorgvuldig op individueel en klassikaal niveau gevolgd aan de hand van observaties, methodegebonden toetsen, methode-onafhankelijke taaltoetsen en logopedische testen.

C15

VSO: Er wordt gewerkt met aangepaste examens (ondertiteling) om het gemis aan auditieve input te compenseren.

Specifieke interventies gericht op lezen.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

D9

Door de vertraging in de Nederlandse taalontwikkeling beschikken leerlingen over een (aanzienlijk) kleinere mondelinge woordenschat. Wanneer leerlingen de techniek van het leren lezen onder de knie krijgen, betekent dit dat de betekenis van een woord vaak expliciet uitgelegd en aangeleerd moet worden. Pre-teaching met uitleg van sleutelwoorden in teksten is voor veel leerlingen van belang om een tekst te kunnen lezen.

D10

Op het gebied van begrijpend lezen ondervinden leerlingen problemen door de beperkte woordenschat, door de moeite die zij hebben met het begrijpen van woord- en zinsbouw en door het informatie-/kennistekort dat veel leerlingen hebben opgelopen.
Het lezen en daarmee begrijpen van teksten wordt regelmatig expliciet behandeld.
Het hardop meedenken van de leerkracht bij het hanteren van leesstrategieën voor het leren begrijpen van de tekst is een belangrijke didactische aanpak (modelling).
Leesstrategieën worden expliciet aangeleerd om zoveel mogelijk zelfstandig teksten te leren lezen.

D11

Abstracte leeswoordenschat wordt expliciet getraind: bv. verwijswoorden, vraagwoorden, voegwoorden, figuurlijk taalgebruik.

D13

De leesontwikkeling wordt zorgvuldig en systematisch gevolgd aan de hand van observaties, methodegebonden toetsen en methode-onafhankelijke toetsen.

D14

Omdat het (leren) lezen voor dove en slechthorende leerlingen vaak moeilijk is, krijgt het stimuleren van leesmotivatie extra aandacht.

Ondersteuning op de sociaal emotionele ontwikkeling met aandacht voor het leren omgaan met en acceptatie van de auditieve beperking
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
B

Pedagogisch klimaat

B7

Het domein identiteitsontwikkeling in relatie tot de auditieve beperking is ingebed in het onderwijsprogramma. Het stimuleren van een positief en reëel zelfbeeld staat hierbij voorop. Vanuit een positieve grondhouding bevorderen medewerkers tevens een reëel en positief zelfbeeld van de leerlingen.

B8

Voor de leerlingen in de Ambulante begeleiding wordt ‘lotgenotencontact’ gestimuleerd en georganiseerd en ook ontvangen zij informatie over voorzieningen (verenigingen, clubs etc.) voor doven/slechthorenden.
Leerlingen krijgen de gelegenheid om ervaringen met elkaar te delen en hierop te reflecteren.

B10

School- en omgangsregels worden expliciet uitgelegd en gevisualiseerd.

B11

Het talig herkennen, benoemen en gebruiken van gevoelens en emoties krijgt extra aandacht.
Deze abstracte begrippen zijn vaak extra moeilijk voor de leerlingen. Het veel en herhaaldelijk gebruik van deze begrippen draagt bij aan het vermogen om ervaringen, gevoelens en emoties te delen en bespreken.

F

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

F3

Er is expliciete aandacht in het lesprogramma voor de gevoelsmatige en emotionele kant van relaties en seksualiteit.

F4

Leerlingen hebben kennis van de eigen hoorstatus en leren om te gaan met de gevolgen van de auditieve beperking. Ze krijgen informatie over de werking van het gehoor en de gevolgen van de auditieve beperking voor de communicatie met anderen. Ze krijgen de gelegenheid ervaringen te delen en het functioneren in hun (veelal horende) omgeving te bespreken. Ze delen deze ervaringen met elkaar en met volwassen rolmodellen.

F5

Leerlingen worden voorbereid op stages en werk in relatie tot de gevolgen van de gehoorproblematiek.

F6

Leerlingen leren zich bewust te zijn van het effect van mimiek, lichaamstaal en houding.
Expressieactiviteiten en drama zijn ondersteunend bij de sociale ontwikkeling.

F8

Als gevolg van het tekort aan informatie(overdracht) en het ontbreken van nuances in de uitleg bestaat het risico dat leerlingen zwart-wit gaan denken. Dit is een bedreiging voor een harmonieuze sociale en seksuele ontwikkeling. Leerkrachten beperken zich niet in de informatieoverdracht, nemen hier meer tijd voor en benadrukken juist de nuances.

F9

De leerlingen worden van jongs af aan zorgvuldig gevolgd in hun sociaal-emotionele ontwikkeling aan de hand van (gestandaardiseerde) observaties en/of screenings-instrumenten. Indien er sprake is van een risicoscore binnen het klinisch gebied worden in samenwerking met de zorginstellingen, passende arrangementen geboden om de ontwikkeling te stimuleren en stagnatie en/of problemen te voorkomen (preventie) of te verminderen.

Individuele begeleiding binnen de reguliere klas of daarbuiten in een speciale ruimte.
Begeleiding geven aan een groepje leerlingen met dezelfde (aan de beperking en/of stoornis gerelateerde) hulpvraag. Hierbij kunnen ook niet geïndiceerde leerlingen aansluiten.
Audiologische ondersteuning (gebruik soloapparatuur).

Ten behoeve van de leerkracht

Adviseren bij het schrijven van het ontwikkelingsperspectief met name rond belemmerende factoren cluster 2 gerelateerd.

Samen werken met de mentor in de rol van co-teacher.

Scholing en voorlichtingen verzorgen voor leerkrachten.
Er is een mogelijkheid gebruik te maken van een tolk. (aparte tolken voorziening)

De communicatie, leerstof en instructie toegankelijk maken voor dove/SH leerlingen
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
E

Aangepaste instructie

E3

Het aanbieden van complexe begrippen wordt niet vermeden. Er wordt een toegankelijke definitie en/of een voorbeeld  gegeven. Omschrijven, herhalen en begrip controleren.

E4

Voor leerlingen met Ambulante Begeleiding wordt een tolk NGT/NmG of een schrijftolk NL ingezet als de leerling daarmee de instructie beter kan volgen, meer informatie op kan nemen en hierdoor hogere onderwijsresultaten behaalt.

E5

De leerkracht is zich doorlopend bewust van het feit dat als gevolg van het gehoorverlies leerlingen informatie kunnen missen. Dit geldt voor de instructie in het gesproken Nederlands, maar ook voor instructie in de Nederlandse gebarentaal. Wanneer een leerling wegkijkt wordt ook deze vorm van informatie gemist.
De leerkracht vat instructie regelmatig samen of vraagt dit aan een leerling en stelt waar nodig controlevragen om te beoordelen of de instructie waargenomen en begrepen is. De leerkracht weet hierin te doseren zodat leerlingen geboeid blijven om de instructie te volgen en niet afhaken vanwege te veel herhalingen en onderbrekingen van de instructie.
De leerlingen leren naarmate zij ouder worden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het waarnemen van de instructie. Zij leren aan te geven als deze voor hen onvoldoende toegankelijk is qua vorm of inhoud.

E6

Om (complexe) lesstof toegankelijk te maken worden belangrijke begrippen vooraf uitgelegd (pre-teaching). Voor sommige leerlingen is er extra training noodzakelijk van deze begrippen (re-teaching).

E8

Schriftelijke opdrachten die qua taalbegripniveau te complex zijn om zelfstandig te verwerken worden vooraf mondeling besproken en waar nodig aangepast. Modelling (hardop denkstrategieën verwoorden, voordoen/nadoen) is de techniek die de leerkracht inzet om leerlingen toe te leiden naar het zelfstandig verwerken van schriftelijke opdrachten.

E9

Het werkgeheugen voor het verwerken van achtereenvolgende (waaronder visuele) informatie is beperkter.
Medewerkers passen taken aan waarbij een beroep gedaan wordt op het onthouden van deze vorm van informatie. Ook trainen ze dit werkgeheugen door leerlingen langer wordende reeksen met opeenvolgende informatie (bv. reeksen woorden) te laten verwerken.
Het ruimtelijk geheugen is bij veel leerlingen sterker ontwikkeld. Leerkrachten geven leerlingen kansen om hun talenten op dit gebied te ontwikkelen.

E10

Er worden (visuele) handelingswijzers toegepast om leerlingen in staat te stellen zelfstandig opdrachten te verwerken.

E12

Het begrijpen van lesstof is niet vanzelfsprekend als voldaan wordt aan de ogenschijnlijk optimale toegang tot communicatie die gerealiseerd kan worden door bijvoorbeeld extra visualisatie.
Door de beperkte woordenschat en het informatietekort begrijpen dove en slechthorende leerlingen vaak minder dan wij, maar ook minder dan zij zelf soms denken. Er wordt regelmatig een samenvatting gegeven van de behandelde lesstof en er worden controlevragen naar begrip gesteld.

E13

Het model van directe instructie wordt gehanteerd en helpt leerlingen het doel van de activiteit te begrijpen en richt hen op de opbrengst van een lesactiviteit.

E14

Medewerkers zorgen ervoor dat het doel van de onderwijsactiviteit centraal blijft staan. Ondanks het feit dat veel dove en slechthorende leerlingen moeite hebben met het verwerken van talige (schriftelijke) informatie. Een reken- of aardrijkskundeles wordt geen taalles.

E15

De leerkracht compenseert het tekort aan taalbegrip door de aangepaste instructie. De inhoud van de lesstof wordt daardoor begrepen en nieuwe talige begrippen worden aangeleerd.

Advisering en voorlichting rond didactisch klimaat dat communicatie en taalontwikkeling stimuleert.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch klimaat

A3

Algemene aandachtspunten:

  • De communicatie en instructie worden intensief gevisualiseerd: concreet materiaal, afbeeldingen, picto’s, foto, film etc.
  • De medewerker maakt gebruik van (natuurlijke) expressie en mimiek.
  • De medewerker heeft aandacht voor het maken en behouden van oogcontact.
  • De medewerker heeft aandacht voor het richten en behouden van visuele en/of auditieve aandacht.
  • De medewerker temporiseert verschillende bronnen van informatie. (Tegelijkertijd schrijven en kijken/luisteren is voor sommige dove/slechthorende leerlingen niet mogelijk)
  • Wisseling van gesprekspartners wordt aangegeven/ is gereguleerd zodat leerlingen geen communicatie missen.
  • Mondelinge informatie wordt zoveel mogelijk ook schriftelijk (in beeld of woord) vastgelegd, zeker als het gaat om belangrijke afspraken.
  • De gesprekspartners (medewerker/medeleerlingen) zijn zichtbaar voor de leerlingen.
  • Er is aandacht voor lichtinval. De leerling kijkt niet tegen het licht in.
A4

Aandachtspunten gesproken Nederlands:

  • Er wordt rustig gesproken.
  • Het mondbeeld van de medewerker is duidelijk.
  • De articulatie van de medewerker is duidelijk maar niet overdreven.
  • Er is aandacht voor een goede signaal-ruisverhouding. De medewerker is zich bewust van het effect van achtergrondgeluid.
  • Klasse- of soloapparatuur, afhankelijk van de akoestische omstandigheden, wordt ingezet.
  • Akoestische omstandigheden: Wenselijke signaalruisverhouding: minimaal + 15 dB (S/N). Wenselijk voor onderwijs +20 dB, of zelfs +25/30 dB. Wenselijke nagalmtijd: Klaslokalen horende kinderen: nagalmtijd van 0,5 - 0,8 sec acceptabel. Bij slechthorenden 0,4 – 0,5 seconden.
A9

De communicatie en interactie in de klas sluit aan bij het taalbegripniveau van de leerling(en):

  • Medewerkers hebben een responsieve en sensitieve communicatieve houding.
  • Medewerkers wachten en geven tijd om de leerlingen zelf en met elkaar te laten communiceren.
  • Medewerkers haken aan bij de talige uitingen van de leerling(en) en breiden deze waar mogelijk op een natuurlijke manier uit. Het principe van Vangen, Aanpassen en Toevoegen (VAT) wordt gehanteerd in de communicatie.
  • Medewerkers corrigeren de talige uitingen van de leerlingen niet expliciet.
  • Om de communicatie te verduidelijken worden technieken ingezet zoals herformuleren, parafraseren en topicalisatie (onderwerp apart zetten en benadrukken).
A10

De interactie wordt niet gedomineerd door de medewerker. Alle leerlingen hebben een substantieel aandeel in de talige interactie. De medewerker reguleert de interactie waar nodig.

A11

Medewerkers dagen leerlingen uit om na te denken over hun eigen taal- en spraakgebruik ( reflectie).

A16

Medewerkers gebruiken methodieken die de taal- en denkontwikkeling van kinderen stimuleren. Verschillende taal- en denkvaardigheden worden getraind, zoals oorzaak-gevolg, overeenkomsten/verschillen en het bedenken van oplossingen.

A21

Van jongs af aan is er extra aandacht voor de verstaanbaarheid van het gesproken Nederlands.
Tijdens de logopedie is er op de individuele leerling gerichte aandacht voor de articulatie. Leerlingen leren (ook) gebruik te maken van auditieve feedback gericht op de eigen uitspraak en het spraakverstaan.
Waar nodig wordt extra visuele ondersteuning geboden door bijvoorbeeld het gebruik van de spiegel en/of Klank Ondersteunende Gebaren (KOG) en tactiele ondersteuning in de vorm van het voelen van stemgeving en luchtstroom.

B

Pedagogisch klimaat

B2

Medewerkers bouwen bewust rust en pauzes in hun communicatie in. Ze stellen open vragen. Leerlingen kunnen talige informatie op eigen tempo verwerken en krijgen de gelegenheid zich te uiten.

B3

Medewerkers dagen leerlingen uit om zich talig te uiten.

Samen werken met de mentor in de rol van co-teacher
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

D9

Door de vertraging in de Nederlandse taalontwikkeling beschikken leerlingen over een (aanzienlijk) kleinere mondelinge woordenschat. Wanneer leerlingen de techniek van het leren lezen onder de knie krijgen, betekent dit dat de betekenis van een woord vaak expliciet uitgelegd en aangeleerd moet worden. Pre-teaching met uitleg van sleutelwoorden in teksten is voor veel leerlingen van belang om een tekst te kunnen lezen.

E

Aangepaste instructie

E6

Om (complexe) lesstof toegankelijk te maken worden belangrijke begrippen vooraf uitgelegd (pre-teaching). Voor sommige leerlingen is er extra training noodzakelijk van deze begrippen (re-teaching).

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Ten behoeve van de school

Ondersteuning zorgcoördinator/mentor op expertise doof/sh.
Begeleiding geven aan een groepje leerlingen met dezelfde (aan de beperking en/of stoornis gerelateerde) hulpvraag. Hierbij kunnen ook niet geïndiceerde leerlingen aansluiten.

Visuele ondersteuning van het leerprogramma. (zo nodig uit depot cluster 2)
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch klimaat

A3

Algemene aandachtspunten:

  • De communicatie en instructie worden intensief gevisualiseerd: concreet materiaal, afbeeldingen, picto’s, foto, film etc.
  • De medewerker maakt gebruik van (natuurlijke) expressie en mimiek.
  • De medewerker heeft aandacht voor het maken en behouden van oogcontact.
  • De medewerker heeft aandacht voor het richten en behouden van visuele en/of auditieve aandacht.
  • De medewerker temporiseert verschillende bronnen van informatie. (Tegelijkertijd schrijven en kijken/luisteren is voor sommige dove/slechthorende leerlingen niet mogelijk)
  • Wisseling van gesprekspartners wordt aangegeven/ is gereguleerd zodat leerlingen geen communicatie missen.
  • Mondelinge informatie wordt zoveel mogelijk ook schriftelijk (in beeld of woord) vastgelegd, zeker als het gaat om belangrijke afspraken.
  • De gesprekspartners (medewerker/medeleerlingen) zijn zichtbaar voor de leerlingen.
  • Er is aandacht voor lichtinval. De leerling kijkt niet tegen het licht in.
B

Pedagogisch klimaat

B10

School- en omgangsregels worden expliciet uitgelegd en gevisualiseerd.

D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

D4

Voor leerlingen die geen toegang hebben tot auditieve informatie wordt gewerkt met visuele technieken (gebaren en/of vingerspelling) voor het (de-)coderen. Het op gang brengen van een vorm van articulatie die ingezet wordt voor het ‘verklanken’ van letters en van het woordbeeld is voor deze groep leerlingen (ook) van groot belang.

D5

Het proces van aanvankelijk lezen is intensief. Door de verminderde toegang tot auditieve informatie vraagt het analyseren en synthetiseren voor veel leerlingen extra training en herhaling om tot automatiseren te komen.
Voor leerlingen die geen of een sterk verminderde toegang hebben tot auditieve informatie worden alternatieve visuele technieken (vingerspelling en/of (klank-)gebaren) ingezet.

E

Aangepaste instructie

E7

Tekstmateriaal dat leerlingen niet in staat zijn zelfstandig te verwerken, wordt eerst in een toegankelijke communicatiecode uitgelegd. Via schrift en/of beeld wordt een compacte samenvatting van de lesstof aangeboden. Mindmappen is een techniek die hiervoor gebruikt kan worden.

E10

Er worden (visuele) handelingswijzers toegepast om leerlingen in staat te stellen zelfstandig opdrachten te verwerken.

Scholing en voorlichtingen verzorgen voor leerkrachten.

Expertise

De ondersteuning in de klas en op de school wordt verzorgd door de medewerker cluster2. Het aanbod wordt op maat gemaakt met het ontwikkelingsperspectief van de leerling als uitgangspunt. Cluster 2 heeft in dit onderwijsarrangement ondersteuningsplicht.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Elke leerkracht/ medewerker cluster 2 beschikt over de kennis en competenties.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch klimaat

A3

Algemene aandachtspunten:

  • De communicatie en instructie worden intensief gevisualiseerd: concreet materiaal, afbeeldingen, picto’s, foto, film etc.
  • De medewerker maakt gebruik van (natuurlijke) expressie en mimiek.
  • De medewerker heeft aandacht voor het maken en behouden van oogcontact.
  • De medewerker heeft aandacht voor het richten en behouden van visuele en/of auditieve aandacht.
  • De medewerker temporiseert verschillende bronnen van informatie. (Tegelijkertijd schrijven en kijken/luisteren is voor sommige dove/slechthorende leerlingen niet mogelijk)
  • Wisseling van gesprekspartners wordt aangegeven/ is gereguleerd zodat leerlingen geen communicatie missen.
  • Mondelinge informatie wordt zoveel mogelijk ook schriftelijk (in beeld of woord) vastgelegd, zeker als het gaat om belangrijke afspraken.
  • De gesprekspartners (medewerker/medeleerlingen) zijn zichtbaar voor de leerlingen.
  • Er is aandacht voor lichtinval. De leerling kijkt niet tegen het licht in.
A4

Aandachtspunten gesproken Nederlands:

  • Er wordt rustig gesproken.
  • Het mondbeeld van de medewerker is duidelijk.
  • De articulatie van de medewerker is duidelijk maar niet overdreven.
  • Er is aandacht voor een goede signaal-ruisverhouding. De medewerker is zich bewust van het effect van achtergrondgeluid.
  • Klasse- of soloapparatuur, afhankelijk van de akoestische omstandigheden, wordt ingezet.
  • Akoestische omstandigheden: Wenselijke signaalruisverhouding: minimaal + 15 dB (S/N). Wenselijk voor onderwijs +20 dB, of zelfs +25/30 dB. Wenselijke nagalmtijd: Klaslokalen horende kinderen: nagalmtijd van 0,5 - 0,8 sec acceptabel. Bij slechthorenden 0,4 – 0,5 seconden.
E

Aangepaste instructie

E2

De leerkracht kent de voorkeurstaal van de leerlingen in de groep en is in staat om op individueel en groepsniveau de instructie hierop te laten aansluiten.

E8

Schriftelijke opdrachten die qua taalbegripniveau te complex zijn om zelfstandig te verwerken worden vooraf mondeling besproken en waar nodig aangepast. Modelling (hardop denkstrategieën verwoorden, voordoen/nadoen) is de techniek die de leerkracht inzet om leerlingen toe te leiden naar het zelfstandig verwerken van schriftelijke opdrachten.

E9

Het werkgeheugen voor het verwerken van achtereenvolgende (waaronder visuele) informatie is beperkter.
Medewerkers passen taken aan waarbij een beroep gedaan wordt op het onthouden van deze vorm van informatie. Ook trainen ze dit werkgeheugen door leerlingen langer wordende reeksen met opeenvolgende informatie (bv. reeksen woorden) te laten verwerken.
Het ruimtelijk geheugen is bij veel leerlingen sterker ontwikkeld. Leerkrachten geven leerlingen kansen om hun talenten op dit gebied te ontwikkelen.

E11

Dove en slechthorende leerlingen richten hun aandacht meer op de periferie. Dit komt voort uit een compensatie voor gebrek aan auditieve informatie. Het betekent dat er voor dove en slechthorende leerlingen daardoor meer afleiders zijn.
De meest ideale opstelling bij instructie en discussie is een halve cirkel. Zo is iedereen zichtbaar. De voorspelbaarheid van de omgeving is hierbij van belang. Het aantal storingen wordt zoveel mogelijk beperkt.

E12

Het begrijpen van lesstof is niet vanzelfsprekend als voldaan wordt aan de ogenschijnlijk optimale toegang tot communicatie die gerealiseerd kan worden door bijvoorbeeld extra visualisatie.
Door de beperkte woordenschat en het informatietekort begrijpen dove en slechthorende leerlingen vaak minder dan wij, maar ook minder dan zij zelf soms denken. Er wordt regelmatig een samenvatting gegeven van de behandelde lesstof en er worden controlevragen naar begrip gesteld.

E14

Medewerkers zorgen ervoor dat het doel van de onderwijsactiviteit centraal blijft staan. Ondanks het feit dat veel dove en slechthorende leerlingen moeite hebben met het verwerken van talige (schriftelijke) informatie. Een reken- of aardrijkskundeles wordt geen taalles.

F

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

F8

Als gevolg van het tekort aan informatie(overdracht) en het ontbreken van nuances in de uitleg bestaat het risico dat leerlingen zwart-wit gaan denken. Dit is een bedreiging voor een harmonieuze sociale en seksuele ontwikkeling. Leerkrachten beperken zich niet in de informatieoverdracht, nemen hier meer tijd voor en benadrukken juist de nuances.

Zie ook het competentieprofiel.

Voor dove en SH scholieren is beheersen van NMG noodzakelijk.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
C

Specialistisch en intensief taalonderwijs

C6

Wanneer er ook een aanbod is van de Nederlandse gebarentaal worden nieuwe concepten en begrippen eerst aangeboden in de meest toegankelijke taal en wordt er vervolgens een brug geslagen naar de tweede taal door het koppelen van het gebaar aan het gesproken en geschreven woord.

A

Didactisch klimaat

A18

Leerkrachten stemmen de communicatieve en talige benadering af met die van de betrokken logopedist en met de specialist Nederlandse Gebarentaal indien er sprake is van het gebruik van deze taal.

De medewerker cluster 2 beschikt over kennis van de reguliere en speciale methodes en sluit daar in de ondersteuning bij aan.

De leerkracht /medewerker cluster 2 heeft kennis over en ervaring in omgaan met eigentijdse en op interactie gerichte communicatiemiddelen (bv. Smartborden, en andere vormen van digitale communicatie die ondersteunend zijn voor dove en slechthorende leerlingen).

De docent /medewerker cluster 2 heeft kennis en ervaring in vormen van pre-teaching, reteaching, teamteaching en co-teaching
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

D9

Door de vertraging in de Nederlandse taalontwikkeling beschikken leerlingen over een (aanzienlijk) kleinere mondelinge woordenschat. Wanneer leerlingen de techniek van het leren lezen onder de knie krijgen, betekent dit dat de betekenis van een woord vaak expliciet uitgelegd en aangeleerd moet worden. Pre-teaching met uitleg van sleutelwoorden in teksten is voor veel leerlingen van belang om een tekst te kunnen lezen.

E

Aangepaste instructie

E6

Om (complexe) lesstof toegankelijk te maken worden belangrijke begrippen vooraf uitgelegd (pre-teaching). Voor sommige leerlingen is er extra training noodzakelijk van deze begrippen (re-teaching).

De docent /medewerker cluster 2 heeft kennis en ervaring in vormen van pre-teaching, reteaching, teamteaching en co-teaching.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Zo nodig kan de medewerker cluster 2 een beroep doen op de expertise van de CvB cluster 2.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch klimaat

A24a

Er bestaat een mogelijkheid tot het organiseren van een ronde tafelbespreking met meerdere disciplines. Dit maakt echter geen structureel deel uit van de reguliere schoolorganisatie.
Deskundigheid zal (voor een deel) moeten worden 'ingevlogen' uit gespecialiseerde instellingen. Op afroep of consultatiebasis kunnen experts worden geraadpleegd. Te denken valt aan orthopedagoog, spraaktaalspecialist, autisme specialist etc.

Hoeveelheid aandacht/tijd

Uitgangspunt van een licht onderwijsarrangement is dat de leerling deelneemt aan het reguliere onderwijsprogramma. De inzet wordt enerzijds bepaald door het budget en anderzijds door de contractering tussen klant en cluster 2.
Nadruk ligt op ontwikkeling en compenserende strategieën met betrekking tot de communicatie.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Ondersteuning op het reguliere curriculum wordt gegeven door een leerkracht- of medewerker cluster 2.

Fysieke omgeving

Er zijn geen aanpassingen in de reguliere schoolomgeving.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

In principe zijn er geen aanpassingen nodig in de reguliere omgeving.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Wanneer er meer leerlingen cluster 2 op de school worden begeleid.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
E

Aangepaste instructie

E11

Dove en slechthorende leerlingen richten hun aandacht meer op de periferie. Dit komt voort uit een compensatie voor gebrek aan auditieve informatie. Het betekent dat er voor dove en slechthorende leerlingen daardoor meer afleiders zijn.
De meest ideale opstelling bij instructie en discussie is een halve cirkel. Zo is iedereen zichtbaar. De voorspelbaarheid van de omgeving is hierbij van belang. Het aantal storingen wordt zoveel mogelijk beperkt.

Samenwerking

Verantwoordelijkheid voor samenwerking met externen ligt bij de reguliere school voor voortgezet onderwijs.
De instellingen cluster 2 werken nauw samen met de ouders en de leerling.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

De verantwoordelijkheid voor het contact met andere instanties ligt bij de reguliere school in overleg met de ouders.

De medewerker cluster 2 geeft waar nodig adviezen aan ouders over het stimuleren van communicatie en spraaktaalontwikkeling.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

D15

Ouders worden geïnformeerd over en betrokken bij het (leren) lezen van hun dove/slechthorende kind. Dit leren lezen verloopt in een aantal opzichten anders/minder vanzelfsprekend dan bij horende leerlingen.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Er is waar nodig afstemming met:

  • Regulier (vervolg) onderwijs
  • Logopedie
  • Audiologisch centrum
  • Voor- en naschoolse opvang of behandeling
  • Bureau jeugdzorg
  • Gezinsbegeleiding

Uitstroom naar medium onderwijsarrangement

De leerling ontwikkelt zich niet volgens het opgestelde ontwikkelingsperspectief. Er is meer ondersteuning nodig dan in het licht onderwijsarrangement geboden kan worden.
De medewerker cluster 2 signaleert dat de leeropbrengst achterblijft als gevolg van handicap-specifieke beperkingen. Het medium onderwijsarrangement sluit beter aan bij de onderwijsbehoefte van de leerling.

Uitstroom

De leerling ontwikkelt zich volgens het opgestelde ontwikkelingsperspectief. De doelen in de begeleiding zijn behaald.
De reguliere school is in staat de benodigde extra ondersteuning te bieden.
Ondersteuning vanuit cluster 2 wordt afgesloten.