Download onderwijsarrangement

Door het aanpassen van het standaard onderwijsarrangement door middel van de vinkjes creeert u een persoonlijk onderwijsarrangement. U dient een naam op te geven om het onderwijsarrangement te kunnen downloaden. Indien u een standaard onderwijsarrangement wilt, klikt u dan op annuleren en zorg ervoor dat alle vinkje aan staan voordat u op opslaan klikt.

×
Uw onderwijsarrangement wordt aangemaakt. Een ogenblik geduld.×

Doofblind intensief onderwijsarrangement van 3 tot 20 jaar

Doelgroep

Kinderen met DoofBlind 3 - 20 jaar

Uitgangspunt

Tegemoet komen aan de behoefte aan passend en specialistisch onderwijs in een aangepaste omgeving, op één van de drie kernlocaties (V)SO in Nederland.
In het onderwijs aan leerlingen met doofblindheid wordt gewerkt vanuit de visie dat kinderen met doofblindheid zich zo optimaal mogelijk ontplooien, zodat hun zelfredzaamheid vergroot en ze zo goed mogelijk toegang krijgen tot een sociaal leven. Voor iedere leerling willen we een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven bereiken, door hem een betere toegang te geven tot informatie, communicatie en mobiliteit. Daarvoor bieden wij een veilige, voorspelbare omgeving, hanteren wij een tactiel georiënteerde benadering, zijn wij competente communicatiepartners en bieden wij continuïteit.
Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn: focus op interactie & communicatie aangepaste omgevings- en houdingsvoorwaarden, 1-op-1 momenten, aangepaste leer- en hulpmiddelen, specifieke aandacht voor de nabijheidszintuigen, optimale continuïteit van begeleiding en borging van expertise.

Onderwijsmateriaal & Curriculum

Afankelijk van het ontwikkelingsperspectief (uitstroomprofielen doofblindheid) van de leerling wordt een individuele leerroute (persoonlijk plan) opgesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van de leerlijnen doofblindheid.
Zeer specialistisch en zeer intensief onderwijs gericht op interactie, communicatie en taalontwikkeling.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Afhankelijk van het ontwikkelingsperspectief (uitstroomprofielen doofblindheid) van de leerling wordt een individuele leerroute opgesteld.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
C

Stimuleren van overige ontwikkelingsgebieden

C1

De variëteit aan mogelijkheden en beperkingen bij leerlingen met doofblindheid is groot. Naast de uiteenlopende mate van gehoor- en visus verliezen manifesteert doofblindheid zich ook vaak vanwege co- morbiditeit met andere beperkingen zoals verstandelijke beperkingen, neurologische stoornissen, motorische beperkingen en stoornissen in het autisme spectrum.
Aan de basis van het onderwijstraject staat een functioneel multidisciplinair assessment. Observatie is een belangrijk onderdeel van dit assessment. Het assessment is dynamisch en vindt plaats in samenwerking met ouders. Het assessment maakt deel uit van een methodisch-cyclisch interventietraject.

Het ontwikkelingsperspectief van de leerling is leidend.Naast de vraag hoe de toegang tot interactie en communicatie (en het leren van taal) gerealiseerd kan worden, wordt in kaart gebracht wat de mogelijkheden van de leerling zijn op het gebied van de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling, de zelfredzaamheid, zelfstandigheid, oriëntatie en mobiliteit, dagelijkse en schoolse vaardigheden.

 

C3

Bij leerlingen met doofblindheid is vaak sprake van comorbiditeit. Medische aspecten vragen aandacht bij een groot aantal leerlingen met doofblindheid. Syndromen hebben biologische en gedragsmatige gevolgen. Het lesprogramma is hierop afgestemd.

Zeer specialistisch en zeer intensief onderwijs gericht op interactie, communicatie en taalontwikkeling.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A1

Om optimale toegang tot informatie, interactie en communicatie te realiseren wordt op basis van een multidisciplinair assessment en diagnostische interventie de meest afgestemde vorm van interactie/ communicatie voor een leerling gekozen. De centrale vraag is wat de specifieke leerling op het gebied van interactie en communicatie nodig heeft om zich maximaal te kunnen ontwikkelen zowel op school als in de thuis-  en/of zorgsituatie.
Het gaat hier niet om een eenmalig assessment maar om dynamische handelingsgerichte diagnostiek waarbij op opeenvolgende momenten in de ontwikkeling deze vraag beantwoord wordt. Dit betekent dat de interactie en communicatie in de verschillende fases van ontwikkeling wordt afgestemd op de specifieke behoeften en mogelijkheden van de leerling. Het netwerk van de leerling (ouders, vrienden, bekenden) wordt hierbij betrokken.

A2

Mogelijkheden om een meest afgestemde vorm van interactie en communicatie te realiseren:

  • Hanteren van de principes van het natuurlijk leren met aandacht voor de nabijheidszintuigen (tast, propriocepsis, reuk, smaak)
  • Uitgaan van een multimodale benadering, afgestemd op de situatie
  • De inzet van Ondersteunde Communicatie:
    - motorisch-visuele communicatievormen (waaronder lichaamssignalen en gebarensystemen)
    - grafisch-visuele communicatievormen (waaronder tekeningen, foto's, picto’s, symbolen)
    - 3 dimensionale- tactiele communicatievormen (voorwerpen als verwijzers, braille)
    - Akoestisch/geluid gerelateerde communicatievormen (waaronder spraakklanken)
  • Conceptondersteunende communicatie voor leerlingen met DB waarbij sprake is van comorbiditeit met Autisme Spectrum Stoornissen
  • De inzet van Nederlandse gebarentaal of 4-handen (=tactiele) gebaren.
  • Hoorapparatuur of een cochleair implantaat/ hooropvoeding & hoortraining
  • Visuele hulpmiddelen & visustraining
C

Stimuleren van overige ontwikkelingsgebieden

C2

Specifieke interventies voor leerlingen met doofblindheid:

  • Interactie en communicatie interventies        
  • Sensomotorische stimulering ter compensatie van de auditieve en visuele beperking
  • Kijk- en visustraining
  • Oriëntatie- en mobiliteitstraining
  • Leren omgaan met en acceptatie van hulpmiddelen
  • Stimulering primaire mondfuncties
  • sociaal-emotionele ondersteuning bij (vroeg) verworven doofblindheid
  • doofblinden cultuur
D

Specialistisch en intensief taalonderwijs

D2

Het taalonderwijs richt zich vooral op praktisch en functioneel taalgebruik, afgestemd op het delen van individuele intenties, gedachten en emoties. Zelfstandigheid en (communicatieve) zelfredzaamheid en declaratieve communicatie staan hierin centraal.

F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F2

Betekenisvol en samenhangend leren staat centraal.  Voor de meeste leerlingen is dat leren individueel en sterk context bepaald. In dit leren is veel herhaling ingebouwd. Dit is nodig voor het opbouwen van een (tactiel) beeld van de (functie van) een voorwerp, ruimte, persoon of gebeurtenis.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G1

Zelfbeleving, zelfbesef, competentie en autonomie krijgen expliciet aandacht in het onderwijsprogramma. Hiervoor zijn doelen geformuleerd.

De communicatie en interactie in de klas sluit aan bij het taalbegripniveau van de leerling(en).

Het individuele communicatiesysteem, tactiel, visueel, auditief, manueel, is uitgangspunt bij interactie en instructie.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A9

De afstemming van communicatieve modaliteiten tussen leerkracht en leerling is essentieel in het onderwijsprogramma. De nadruk ligt daarbij op de tactiele modaliteit.
Medewerkers zijn opgeleid in tactiele interactie en communicatie.

F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F9

Lichamelijke-, ruimtelijke-,  tijdsoriëntatie en mobiliteit wordt expliciet aangeboden en getraind in het onderwijsprogramma.

Medewerkers gebruiken Practice Based Evidence methodieken voor het ontwikkelen van interactie en communicatie bij kinderen met doofblindheid. De individuele ontwikkelingslijn is leidend, methodieken sluiten hierbij aan.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
D

Specialistisch en intensief taalonderwijs

D1

Om bij de leerlingen die toe zijn aan een vorm van symbolische communicatie de taalontwikkeling te stimuleren wordt thematisch gewerkt aan de opbouw van gebaren- en/of woordenschat. Ervarend leren staat hierbij centraal: een ontwikkelingsgerichte houding werkend vanuit de zone van de naaste ontwikkeling.
De leerling leert vanuit een concrete situatie waarin het opdoen van ervaringen het uitgangspunt is voor het leren. De ervaringen worden gezamenlijk gecreëerd en doorleefd. Aan deze ervaringen worden voor de individuele leerling passende communicatie, interactie en vaardigheden gekoppeld. De noodzaak voor het ervarend leren geldt voor leerlingen van alle leeftijden en beperkt zich niet tot de jonge leeftijdsgroepen. De ervaringen zijn verrijkend en stimuleren het ontwikkelen van relaties met anderen en met de omgeving.

E

Ontwikkeling van geletterdheid

E3

Ervaringsgericht lezen en schrijven maken onderdeel uit van het lesprogramma. Leerlingen experimenteren met geschreven taal.

E4

Een aantal leerlingen is in staat om methodisch te leren lezen. Hiervoor zijn passende methodes in de school aanwezig. De leerkracht is in staat deze methode waar nodig aan te passen aan de mogelijkheden van de leerling.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G6

Positief en negatief gedrag van leerlingen heeft betekenis en een vorm van communicatie. Om het leren mogelijk te maken kan het nodig zijn om specifieke middelen en maatregelen in te zetten. Het gaat bij de inzet hiervan niet om inperking van mogelijkheden van de leerling maar om het (weer) mogelijk maken van leren. De inzet van middelen en maatregelen wordt vastgelegd en verantwoord.

Er is sprake van een pedagogisch klimaat dat veiligheid en ruimte biedt om te communiceren en te reflecteren op jezelf en de omgeving.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A6

Veiligheid, rust, vertrouwen, geborgenheid, respect, duidelijkheid, voorspelbaarheid, geduld, warmte en plezier, samen beleven en ontdekken zijn kernbegrippen in het pedagogisch klimaat. Tegelijkertijd worden leerlingen in een dynamische omgeving in hun communicatieve mogelijkheden uitgedaagd. Het gaat hierbij om het zoeken van de balans tussen uitdaging en veiligheid zodat de leerling optimale ontwikkelingskansen krijgt.

B

Didactisch en pedagogisch klimaat dat zelfstandigheid, zelfredzaamheid en mobiliteit stimuleert

B1

Zelfontplooiing en zelfbepaling en het bevorderen van een volwaardige deelname aan de maatschappij binnen de mogelijkheden van de leerling staan centraal in het onderwijsprogramma. Het ontwikkelingsperspectief van de leerling is hierbij leidend.

B2

Zelfstandigheid en (sociale, praktische en communicatieve) zelfredzaamheid worden bevorderd door:

  • het stimuleren van autonomie in de persoonlijke verzorgingsactiviteiten en in ADL activiteiten. Deze dagelijkse activiteiten worden aangegrepen voor betekenisvolle interactie- en communicatie.
  • het werken vanuit de opbouwprincipes meedoen, samen doen, deels samen doen, deels zelf doen en zelf doen. Door het aanbieden van op de leerling afgestemde (visuele) handelingsscenario’s/ script worden leerlingen ondersteund. De activiteiten gaan vergezeld van op de leerling toegesneden communicatie en interactie.
B3

Medewerkers benutten de alledaagse en betekenisvolle werkelijkheid voor pedagogische en communicatieve leermomenten.

F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F5

De leerlingen krijgen kansen om eigen vragen te stellen en oplossingen te bedenken voor overzienbare en betekenisvolle problemen.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G3

Durven uiten, gebaren en/ of spreken wordt gericht gestimuleerd door positieve bevestiging van communicatieve uitingen van leerlingen.

G4

De medeweker geeft ruimte aan de communicatieve initiatieven van de leerling, heeft aandacht voor het delen van aandacht en voor de intenties van de leerling en durft open te interpreteren (declaratieve communicatie).

In de sociaal emotionele ontwikkeling is aandacht voor bevordering van relaties en sociale vaardigheden.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G2

Expliciete aandacht voor en uitleg over het lichaam, relaties en seksualiteit is naast het leren omgaan met het eigen lichaam en de ander voor alle leerlingen met doofblindheid van groot belang. Hierbij wordt gebruik gemaakt van methodieken die gericht zijn op het ontwikkelen van sensomotoriek en lichaamsbesef. Ook sociale vaardigheid- en weerbaarheidtraining kunnen hiervan deel uitmaken. In alle fases van de ontwikkeling worden doelen benoemd op het gebied van het besef van en leren omgaan met het eigen lichaam, relaties en seksualiteit.

Tactiele en visuele ondersteuning van het leerprogramma is voorhanden, audiologische en visuele hulpmiddelen zijn beschikbaar.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
E

Ontwikkeling van geletterdheid

E1

Voor een aantal leerlingen met doofblindheid is het mogelijk om aan doelen op het gebied van geletterdheid te werken. Het concept van geletterdheid wordt breed opgevat: een visueel en vormvast communicatiemiddel zoals picto’s, logo’s, swellpaper-afbeeldingen en gebarentekeningen, geschreven letters en woorden, braille.

E2

Zo vroeg mogelijk wordt geletterdheid spelenderwijs gestimuleerd door het samen herbeleven en vastleggen van gedeelde ervaringen of door het samen boekjes kijken en (interactief) voorlezen.
Door een ervaring samen opnieuw te beleven in de klasse-situatie of door een verhaal na te spelen worden leerlingen zo concreet mogelijk betrokken bij de inhoud.

F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F4

Ten behoeve van interactie- communicatie en taalontwikkeling kunnen concrete materialen gebruikt (om initiatieven van leerlingen te ondersteunen).

F6

Voor veel leerlingen met doofblindheid wordt uitgegaan van activiteiten afgestemd op de individuele interesse en motivatie. De activiteit wordt gezamenlijk met de volwassene (en wanneer mogelijk met andere kinderen) ervaren en beleefd. Deze activiteit is zo ingericht dat de nieuwsgierigheid van de leerlingen geprikkeld wordt. Ervaringen van de leerlingen zijn uitgangspunt. Foto’s en film, beeld, concrete  materialen, (tactiele) tekeningen, schrift, braille worden voor leerlingen ingezet ter ondersteuning van het leerproces. Zo kunnen de leerlingen hun ervaringen herbeleven en delen met anderen waardoor de communicatie wordt gestimuleerd.

F8

Voor een aantal leerlingen ondersteunen visuele of tactiele scripts het uitvoeren van activiteiten en taken. Deze scripts zijn gevisualiseerde of tactiel uitgewerkte stappenplannen.

F10

Waar nodig vinden aanpassingen plaats op het gebied van verlichting, kleuren en contrasten. Worden technische hulpmiddelen in de vorm van klasse- of soloapparatuur, leesloep brailleleesregel ed. ingezet om informatie meer toegankelijk te maken.
Ook worden er diverse visuele en tactiele middelen ingezet ter ondersteuning van de oriëntatie.
Het gaat hier bv. om aangepaste bestrating en blindengeleide relingen.

Daarnaast is expliciet aandacht voor het leren omgaan met en acceptatie van hulpmiddelen, zelfredzaamheid, zelfstandigheid, oriëntatie en mobiliteit.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Er wordt toegewerkt naar opbrengsten bij geformuleerde uitstroomprofielen vanuit het leerlingvolgsysteem (OVM/LVS) en leerlijnen doofblindheid.

Expertise

Elke medewerker onderwijs doofblindheid beschikt over de kennis en competenties zoals opgenomen in het bijbehorende bekwaamheidsmodel groepsleerkracht en klassenassistent doofblindheid.
Cluster 2 heeft in dit onderwijsarrangement ondersteuningsplicht.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Elke medewerker onderwijs doofblindheid beschikt over de kennis en competenties zoals opgenomen in het bijbehorende bekwaamheidsmodel.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A2

Mogelijkheden om een meest afgestemde vorm van interactie en communicatie te realiseren:

  • Hanteren van de principes van het natuurlijk leren met aandacht voor de nabijheidszintuigen (tast, propriocepsis, reuk, smaak)
  • Uitgaan van een multimodale benadering, afgestemd op de situatie
  • De inzet van Ondersteunde Communicatie:
    - motorisch-visuele communicatievormen (waaronder lichaamssignalen en gebarensystemen)
    - grafisch-visuele communicatievormen (waaronder tekeningen, foto's, picto’s, symbolen)
    - 3 dimensionale- tactiele communicatievormen (voorwerpen als verwijzers, braille)
    - Akoestisch/geluid gerelateerde communicatievormen (waaronder spraakklanken)
  • Conceptondersteunende communicatie voor leerlingen met DB waarbij sprake is van comorbiditeit met Autisme Spectrum Stoornissen
  • De inzet van Nederlandse gebarentaal of 4-handen (=tactiele) gebaren.
  • Hoorapparatuur of een cochleair implantaat/ hooropvoeding & hoortraining
  • Visuele hulpmiddelen & visustraining
A4

De communicatie en interactiestijl van de medewerker is toegesneden op de individuele behoeften van de leerling:

  • het tempo, inhoud, gebruik en vorm van de communicatie is afgestemd zodat de leerling in staat is tot waarnemen, uiten en begrijpen.
  • De focus is gericht op fundamentele communicatieve processen (zoals onderhandelen over betekenis, het zich verplaatsen in de intentie van de ander)
  • medewerkers maken contact met de leerling door aan te sluiten bij de communicatieve initiatieven van de leerling, te volgen, te ontvangen, te reageren, te anticiperen en uit te lokken. De medewerker is daarbij in staat het communicatieve perspectief van de leerling in te nemen en daarmee aansluiting te vinden in de interactie en communicatie. Zij zien en waarderen de communicatieve poging van de leerling.
C

Stimuleren van overige ontwikkelingsgebieden

C1

De variëteit aan mogelijkheden en beperkingen bij leerlingen met doofblindheid is groot. Naast de uiteenlopende mate van gehoor- en visus verliezen manifesteert doofblindheid zich ook vaak vanwege co- morbiditeit met andere beperkingen zoals verstandelijke beperkingen, neurologische stoornissen, motorische beperkingen en stoornissen in het autisme spectrum.
Aan de basis van het onderwijstraject staat een functioneel multidisciplinair assessment. Observatie is een belangrijk onderdeel van dit assessment. Het assessment is dynamisch en vindt plaats in samenwerking met ouders. Het assessment maakt deel uit van een methodisch-cyclisch interventietraject.

Het ontwikkelingsperspectief van de leerling is leidend.Naast de vraag hoe de toegang tot interactie en communicatie (en het leren van taal) gerealiseerd kan worden, wordt in kaart gebracht wat de mogelijkheden van de leerling zijn op het gebied van de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling, de zelfredzaamheid, zelfstandigheid, oriëntatie en mobiliteit, dagelijkse en schoolse vaardigheden.

 

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G3

Durven uiten, gebaren en/ of spreken wordt gericht gestimuleerd door positieve bevestiging van communicatieve uitingen van leerlingen.

G4

De medeweker geeft ruimte aan de communicatieve initiatieven van de leerling, heeft aandacht voor het delen van aandacht en voor de intenties van de leerling en durft open te interpreteren (declaratieve communicatie).

G5

De medewerkers denken in mogelijkheden. Dit is waarneembaar in gedrag en communicatie van de medewerkers.

Alle medewerkers beschikken over NGT en/of NMG vaardigheden.

Leerkracht en logopedist hebben kennis en kunnen doelstellingen formuleren betreffende de verschillende ontwikkelingsaspecten.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A1

Om optimale toegang tot informatie, interactie en communicatie te realiseren wordt op basis van een multidisciplinair assessment en diagnostische interventie de meest afgestemde vorm van interactie/ communicatie voor een leerling gekozen. De centrale vraag is wat de specifieke leerling op het gebied van interactie en communicatie nodig heeft om zich maximaal te kunnen ontwikkelen zowel op school als in de thuis-  en/of zorgsituatie.
Het gaat hier niet om een eenmalig assessment maar om dynamische handelingsgerichte diagnostiek waarbij op opeenvolgende momenten in de ontwikkeling deze vraag beantwoord wordt. Dit betekent dat de interactie en communicatie in de verschillende fases van ontwikkeling wordt afgestemd op de specifieke behoeften en mogelijkheden van de leerling. Het netwerk van de leerling (ouders, vrienden, bekenden) wordt hierbij betrokken.

A5

Communicatie, interactie en taalontwikkeling zijn leidend voor het onderwijsprogramma. De logopedist en/of communicatiedeskundige werken nauw samen met de leerkracht.

F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F7

De medewerker is in staat om methodische uitgangspunten te vertalen naar dagelijkse exploratie- en zelfredzaamheidactiviteiten. Hij begeleidt deze met passende interactie en communicatie.

Doorlopende (bij)scholing mogelijk op het gebied van NMG/NGT, Vierhandengebaren, braille.

Het team beschikt over expertise rondom:

  • stage en dagbesteding/ arbeidstoeleiding.
  • oriëntatie- en mobiliteit
  • doofblindencultuur
  • sociaal-emotionele ondersteuning bij (vroeg)verworven doofblindheid

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Multidisciplinair samengesteld CvB
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A24

Een multidisciplinair samengestelde Commissie van Begeleiding (CvB) is op afroep beschikbaar.
Alle scholen voor speciaal onderwijs beschikken over Commissie van Begeleiding (CvB). In een multidisciplinaire samenstelling komen Jeugdarts, de logopedist, de psycholoog/orthopedagoog, de zorgcoördinator en de directeur in.
De leden van de CvB brengen tijdens hun besprekingen vanuit hun vakgebied de nodige informatie in over de leerlingen en brengen advies uit over de hulp die een leerling nodig heeft.

Rol voor expert doofblindheid/ lid CvB in CVO.

Hoeveelheid aandacht/tijd

Voor het intensief onderwijsarrangement is er stuctureel expertise cluster 2 aanwezig.
De groepsgrootte is aangepast aan de specifieke, onderwijsbehoeften van de individuele leerlingen. De inzet wordt enerzijds bepaald door het budget en anderzijds door de contractering tussen klant en cluster 2.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

De groepsgrootte is aangepast aan de specifieke, onderwijsbehoeften van de individuele leerlingen.
De gemiddelde groepsgrootte is 4 leerlingen. 

De aandacht en tijdverdeling over het onderwijsaanbod is aangepast aan de onderwijsbehoefte van de leerlingen.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A3

De betrokkenheid van ouders en belangrijke anderen (het sociaal netwerk) van de leerling bij het onderwijsprogramma is cruciaal voor het vergroten van de communicatieve redzaamheid. Voor alle interventies geldt dat ze alleen kans van slagen hebben als ze tot stand komen in dialoog met leerlingen en hun omgeving.
Er is systematisch aandacht voor afstemming en samenwerking tussen school- en thuissituatie en indien van toepassing, de zorg (logeren, wonen).

A7

Er is continuïteit van medewerkers om belangrijke voorwaarden zoals veiligheid en vertrouwen op te kunnen bouwen.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G6

Positief en negatief gedrag van leerlingen heeft betekenis en een vorm van communicatie. Om het leren mogelijk te maken kan het nodig zijn om specifieke middelen en maatregelen in te zetten. Het gaat bij de inzet hiervan niet om inperking van mogelijkheden van de leerling maar om het (weer) mogelijk maken van leren. De inzet van middelen en maatregelen wordt vastgelegd en verantwoord.

Extra ondersteuningsmogelijkheden in de groep (bv. ergotherapeut, logopedist, klassen- /onderwijsassistent etc.)
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A8

De individuele communicatieve benadering van de leerling vraagt van het team rondom een leerling een doorlopend reflecteren op eigen handelen. Deze reflectie is gericht op het realiseren van de gestelde doelen en op de effectiviteit van het eigen handelen. In multidisciplinair overleg met ouders, expert DB, orthopedagoog, leerkracht en eventueel andere deskundigen kan de benadering worden aangepast.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Voor het intensief onderwijsarrangement doofblindheid zijn de volgende functies inzetbaar:

Intern
(Bovenschools) directeur,teamleider(s)
Orthopedagoog
Leerkracht
Leerkracht met taakdiferentiatie ( I.B.,VSO, beweging,
doofblindencultuur, oriëntatie/ mobiliteit)
Klassenassistent
Logopedist
Administratief medewerker, conciërge

Extern
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A3

De betrokkenheid van ouders en belangrijke anderen (het sociaal netwerk) van de leerling bij het onderwijsprogramma is cruciaal voor het vergroten van de communicatieve redzaamheid. Voor alle interventies geldt dat ze alleen kans van slagen hebben als ze tot stand komen in dialoog met leerlingen en hun omgeving.
Er is systematisch aandacht voor afstemming en samenwerking tussen school- en thuissituatie en indien van toepassing, de zorg (logeren, wonen).

A7

Er is continuïteit van medewerkers om belangrijke voorwaarden zoals veiligheid en vertrouwen op te kunnen bouwen.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G6

Positief en negatief gedrag van leerlingen heeft betekenis en een vorm van communicatie. Om het leren mogelijk te maken kan het nodig zijn om specifieke middelen en maatregelen in te zetten. Het gaat bij de inzet hiervan niet om inperking van mogelijkheden van de leerling maar om het (weer) mogelijk maken van leren. De inzet van middelen en maatregelen wordt vastgelegd en verantwoord.

Ouders, middels educatief partnerschap
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A3

De betrokkenheid van ouders en belangrijke anderen (het sociaal netwerk) van de leerling bij het onderwijsprogramma is cruciaal voor het vergroten van de communicatieve redzaamheid. Voor alle interventies geldt dat ze alleen kans van slagen hebben als ze tot stand komen in dialoog met leerlingen en hun omgeving.
Er is systematisch aandacht voor afstemming en samenwerking tussen school- en thuissituatie en indien van toepassing, de zorg (logeren, wonen).

A7

Er is continuïteit van medewerkers om belangrijke voorwaarden zoals veiligheid en vertrouwen op te kunnen bouwen.

A8

De individuele communicatieve benadering van de leerling vraagt van het team rondom een leerling een doorlopend reflecteren op eigen handelen. Deze reflectie is gericht op het realiseren van de gestelde doelen en op de effectiviteit van het eigen handelen. In multidisciplinair overleg met ouders, expert DB, orthopedagoog, leerkracht en eventueel andere deskundigen kan de benadering worden aangepast.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G6

Positief en negatief gedrag van leerlingen heeft betekenis en een vorm van communicatie. Om het leren mogelijk te maken kan het nodig zijn om specifieke middelen en maatregelen in te zetten. Het gaat bij de inzet hiervan niet om inperking van mogelijkheden van de leerling maar om het (weer) mogelijk maken van leren. De inzet van middelen en maatregelen wordt vastgelegd en verantwoord.

Psycholoog, leraar NGT (vierhandengebaren), maatschappelijk werk kunnen worden “ingehuurd” op basis van vraag.
Fysiotherapeut, ergotherapeut, KNO arts, VG arts, oogarts, audioloog, orthoptist en kinderpsychiater kunnen worden “ingehuurd” op basis van vraag of indicatie.

Fysieke omgeving

Het schoolgebouw biedt optimale mogelijkheden aan de leerling met doofblindheid om informatie uit de omgeving goed waar te nemen en uit te nodigen tot mobiliteit, oriëntatie en het uitvoeren van activiteiten.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

De klassen zijn ingericht voor de leerling met doofblindheid, als veilige, voorspelbare en dynamisch leeromgeving.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
B

Didactisch en pedagogisch klimaat dat zelfstandigheid, zelfredzaamheid en mobiliteit stimuleert

B4

Vanuit een veilige en overzichtelijke omgeving wordt oriëntatie en mobiliteit bevorderd. De medeweker laat de leerling actief waarnemen en relevante informatie selecteren. De leerling leert hieraan relevante betekenis te koppelen die hem in staat stelt de eigen positie binnen de ruimte te bepalen.

F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F1

Voor leerlingen met doofblindheid is dit een veilige en voorspelbare maar ook dynamische omgeving. De verschillende leefsferen (school, zorg en thuis) worden nadrukkelijk op elkaar afgestemd.

F3

De leeromgeving is fysiek veilig ingericht met herkenbare  maar soms ook nieuwe elementen die de nieuwsgierigheid van de leerling kunnen prikkelen.

F10

Waar nodig vinden aanpassingen plaats op het gebied van verlichting, kleuren en contrasten. Worden technische hulpmiddelen in de vorm van klasse- of soloapparatuur, leesloep brailleleesregel ed. ingezet om informatie meer toegankelijk te maken.
Ook worden er diverse visuele en tactiele middelen ingezet ter ondersteuning van de oriëntatie.
Het gaat hier bv. om aangepaste bestrating en blindengeleide relingen.

A

Didactisch  klimaat

A7

Er is continuïteit van medewerkers om belangrijke voorwaarden zoals veiligheid en vertrouwen op te kunnen bouwen.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Het schoolgebouw biedt optimale mogelijkheden aan de leerling met doofblindheid.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F1

Voor leerlingen met doofblindheid is dit een veilige en voorspelbare maar ook dynamische omgeving. De verschillende leefsferen (school, zorg en thuis) worden nadrukkelijk op elkaar afgestemd.

F3

De leeromgeving is fysiek veilig ingericht met herkenbare  maar soms ook nieuwe elementen die de nieuwsgierigheid van de leerling kunnen prikkelen.

F10

Waar nodig vinden aanpassingen plaats op het gebied van verlichting, kleuren en contrasten. Worden technische hulpmiddelen in de vorm van klasse- of soloapparatuur, leesloep brailleleesregel ed. ingezet om informatie meer toegankelijk te maken.
Ook worden er diverse visuele en tactiele middelen ingezet ter ondersteuning van de oriëntatie.
Het gaat hier bv. om aangepaste bestrating en blindengeleide relingen.

Dit betekent voor aanpassingen in de fysieke onderwijsomgeving:

  • rekening houden met akoestische eigenschappen, optische eigenschappen (lichtinval, toepassen kleurcontrasten ed.)
  • aangepaste lokaalgrootte, extra begeleidings- enstimuleringsruimtes, therapieruimtes en spreek-/werkkamers
  • routes moeten veilig en aangepast zijn (markeringen op bepaalde plaatsen ter oriëntatie, trailing (railingen), duidelijke afrastering bij gevaarlijke plaatsen)
  • zorgen voor tactiele – en geurinformatie om het gebruik van de tast uit te lokken en ten behoeve van herkenbaarheid en voorspelbaarheid.
  • buiten de school is ruimte voor de bussen en taxi’s van het leerlingenvervoer.

Samenwerking

Intensieve afstemming tussen thuis- school- zorg is belangrijk om zo optimaal mogelijk aan de onderwijsbehoefte van de leerling met doofblindheid te voldoen.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Intensieve afstemming tussen thuis- school- zorg is belangrijk om zo optimaal mogelijk aan de onderwijsbehoefte van de leerling met doofblindheid te voldoen.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A3

De betrokkenheid van ouders en belangrijke anderen (het sociaal netwerk) van de leerling bij het onderwijsprogramma is cruciaal voor het vergroten van de communicatieve redzaamheid. Voor alle interventies geldt dat ze alleen kans van slagen hebben als ze tot stand komen in dialoog met leerlingen en hun omgeving.
Er is systematisch aandacht voor afstemming en samenwerking tussen school- en thuissituatie en indien van toepassing, de zorg (logeren, wonen).

A7

Er is continuïteit van medewerkers om belangrijke voorwaarden zoals veiligheid en vertrouwen op te kunnen bouwen.

A8

De individuele communicatieve benadering van de leerling vraagt van het team rondom een leerling een doorlopend reflecteren op eigen handelen. Deze reflectie is gericht op het realiseren van de gestelde doelen en op de effectiviteit van het eigen handelen. In multidisciplinair overleg met ouders, expert DB, orthopedagoog, leerkracht en eventueel andere deskundigen kan de benadering worden aangepast.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G6

Positief en negatief gedrag van leerlingen heeft betekenis en een vorm van communicatie. Om het leren mogelijk te maken kan het nodig zijn om specifieke middelen en maatregelen in te zetten. Het gaat bij de inzet hiervan niet om inperking van mogelijkheden van de leerling maar om het (weer) mogelijk maken van leren. De inzet van middelen en maatregelen wordt vastgelegd en verantwoord.

De samenwerking met zorg kan deel uitmaken van het aanbod (één kind, één plan).

Setting binnen de school

Setting binnen de school

De school is samen met ouders verantwoordelijk voor de contacten met andere instanties.

Er wordt indien nodig samengewerkt met andere instanties. Dit kunnen zijn:

  • Jeugdzorg
  • Gezinsbegeleiding
  • (Zorg)instellingen
  • Arbeidstoeleiding
  • Bedrijven/ instellingen
  • ROC's
  • Gemeenten/ UWV