Download onderwijsarrangement

Door het aanpassen van het standaard onderwijsarrangement door middel van de vinkjes creeert u een persoonlijk onderwijsarrangement. U dient een naam op te geven om het onderwijsarrangement te kunnen downloaden. Indien u een standaard onderwijsarrangement wilt, klikt u dan op annuleren en zorg ervoor dat alle vinkje aan staan voordat u op opslaan klikt.

×
Uw onderwijsarrangement wordt aangemaakt. Een ogenblik geduld.×

TOS (ESM) medium onderwijsarrangement vanaf 12 jaar

Doelgroep

Kinderen met Taalontwikkelingsstoornis (ESM) > 12 jaar

Uitgangspunt

Een medium onderwijsarrangement is een tussenvorm waarin elementen van speciaal onderwijs worden aangeboden in een reguliere setting. Het onderwijsarrangement wordt aangeboden aan een “groep”leerlingen cluster 2. De groep bestaat uit minimaal 10 leerlingen, maar kan diferentiëren in leefijd en grootte.
De compensatie van de communicatieve redzaamheid staat centraal in de ondersteuning.

Onderwijsmateriaal & Curriculum

Kenmerkend is dat de leerlingen voor een deel het reguliere curriculum volgen en daarop intensief worden ondersteund door een docent en/of medewerker cluster 2. De lesstof en instructie worden waar nodig aangepast. De mate waarin aanpassing nodig is kan variëren.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Streven is om zo dicht mogelijk bij het reguliere aanbod te blijven.
Waar nodig wordt gebruik gemaakt van leerlijnen cluster 2.

De dienstverlening vanuit cluster 2 kan binnen het medium onderwijsarrangement een aanbod verzorgen dat bestaat uit:

Ten behoeve van de leerling

Specifieke interventies gericht op de taalontwikkeling (en vreemde talenonderwijs) van leerlingen met ESM.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
C

Specialistisch en intensief taalonderwijs

C5

Het begrijpen en gebruiken van nieuwe woorden is niet vanzelfsprekend bij ESM-leerlingen. De uitbreiding van de woordschat is daarom een belangrijk doel. De didactiek van Verhallen & Verhallen ligt aan de basis van het woordenschat onderwijs.
Er wordt thematisch gewerkt om het opbouwen van mentale netwerken te bevorderen. Nieuwe begrippen worden in verschillende contexten expliciet aangeboden. Er is extra training en herhaling van nieuwe begrippen. Het opbouwen van het juiste concept bij woorden krijgt veel aandacht door een diversiteit aan oefeningen waardoor leerlingen diepe woordkennis kunnen opbouwen.

C6

Pragmatiek, het gebruiken van taal in verschillende sociale situaties heeft extra aandacht in het onderwijs.
De leraar creëert oefenmogelijkheden en leert regels expliciet aan en traint deze bijvoorbeeld aan de hand van rollenspellen waarbij de talige interactie voorop staat.

C7

De onderliggende betekenis van taal is voor ESM-leerlingen vaak moeilijk te doorgronden.
De leerlingen krijgen extra oefening en herhaling om inzicht te verwerven in figuurlijk taalgebruik, luisteren en lezen tussen de regels, dubbele ontkenningen, intonatie, humor en ironie.

C8

In het taalonderwijs in SO en VSO is expliciete aandacht voor training van woord- en zinsbouw.

C10

Taal loopt als een rode draad door het onderwijsprogramma en is dus ook bij de overige vakken een belangrijk aandachtspunt zonder het onderwijsdoel van het betreffende vak uit het oog te verliezen. Dit betekent dat talige begrippen die noodzakelijk zijn om de lesstof van het betreffende vak te kunnen verwerken vooraf besproken en waar nodig getraind worden.

C11

De taalontwikkeling wordt zorgvuldig op individueel en klassikaal niveau gevolgd aan de hand van observaties, methodegebonden toetsen, methodeonafhankelijke taaltoetsen en logopedische toetsen. De systematische analyse van de gegevens wordt gebruikt voor het opstellen van nieuwe doelen.

AssC3

De medewerker legt expliciet aan de leerling uit welk taalgebruik wel en niet past bij specifieke situaties.

AssC8

Het herkennen van verschillende typen vragen wordt expliciet aangeleerd.

Specifieke interventies gericht op (begrijpend en voortgezet technisch) lezen.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

D5

Inprenting van het woordbeeld via de orthografische route (schrift) krijgt expliciet aandacht. ICT-toepassingen ondersteunen hierbij.

D8

Op het gebied van begrijpend lezen ondervinden veel ESM- leerlingen problemen door de beperkte woordenschat en de moeite die zij hebben met het begrijpen van woord- en zinsbouw en tekstopbouw. Ook een informatietekort kan een rol spelen.
Het lezen en daarmee begrijpen van teksten wordt veelvuldig klassikaal behandeld. Het hardop meedenken van de leraar bij het hanteren van leesstrategieën (modelling) voor het leren begrijpen van de tekst is een belangrijke didactische aanpak.

D9

Bij het begrijpend lezen is expliciet aandacht voor het herkennen en begrijpen van verwijswoorden/-relaties.

D10

Voortgezet technisch lezen krijgt expliciet aandacht in het rooster. Ook in het VSO.
Door teksten herhaald aan te bieden en deze eerst voor te laten lezen door de leerkracht worden leerlingen getraind in het vloeiend (stil)lezen.

D11

De leesontwikkeling wordt zorgvuldig gevolgd aan de hand van observaties, methodegebonden toetsen en methodeonafhankelijke toetsen.
Het protocol dyslexie ESM is leidraad voor het leesonderwijs.

AssD3

Klankteken koppeling is vaak niet vanzelfsprekend voor kinderen met autisme. Klankondersteunende gebaren (liefst aansluiten bij de realistische wereld van het kind) of oproepwoorden/kaartjes (slang voor s) worden ondersteunend ingezet.

AssD9

De leerkracht is alert op preoccupaties, fascinaties of angstige associaties. Deze kunnen het lezen in de weg staan. Woorden of teksten die dit oproepen, worden vermeden.

De communicatie en instructie toegankelijk maken voor ESM leerlingen. Speciaal accent waar nodig op verwerving vreemde talen.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
E

Aangepaste instructie

E1

De mondelinge instructie wordt afgestemd op het begripsniveau van de leerling(en). Dit geldt zowel voor de vorm (gesproken Nederlands, Nederlands met gebaren) als voor de inhoud. Het is belangrijk om moeilijke begrippen en nieuwe taal niet te vermijden, wel aan te bieden en er een goede toegankelijke definitie of voorbeeld bij te geven.

E2

De leraar temporiseert verschillende bronnen (mondelinge informatie, videobeelden, plaatmateriaal etc.) van informatie tijdens de instructie.
ESM-leerlingen hebben vaak meer verwerkingstijd nodig.

E3

Het werkgeheugen van ESM-leerlingen is vaak zwakker. Medewerkers passen taken waarbij een beroep gedaan wordt op het onthouden van grotere hoeveelheden informatie aan:

  • Informatie wordt aangeboden in een permanente (visuele) vorm
  • Informatie nodig opgedeeld in kleinere stappen
  • Leerlingen krijgen strategieën aangeboden en aangeleerd om informatie beter te laten beklijven bv. een eigen woordenboek met betekenisvolle zinnen en tekeningen gebruiken, het geleerde inoefenen via verschillende werkvormen.
E4

De leraar structureert de informatie.
Hij geeft regelmatig een terugblik en samenvatting. De leraar stelt controlevragen op het begrip van de instructie.

E5

Om (complexe) lesstof toegankelijk te maken worden leerlingen voorbereid op het onderwerp.
Belangrijke begrippen worden in een betekenisvolle context aangeboden en vooraf uitgelegd (pre-teaching). Voor sommige leerlingen is extra training en herhaling van deze begrippen (re-teaching) noodzakelijk.

E7

Tekstmateriaal en opdrachten die leerlingen niet zelfstandig kunnen verwerken, worden vooraf besproken en voorzien van cues.
Indien mogelijk/noodzakelijk wordt via het schrift, beeld, schema een compacte samenvatting van de lesstof aangeboden.

E8

Bij de verwerking van lesstof worden doelgericht (visuele) handelingswijzers aangeboden om leerlingen in staat te stellen zelfstandig opdrachten te verwerken (stappenplan, mindmappen).

E9

Het begrijpen van lesstof is niet vanzelfsprekend als voldaan wordt aan de ogenschijnlijk optimale toegang tot communicatie. Door beperkte woordenschat, problemen met de informatieverwerking en het informatietekort begrijpen ESM-leerlingen vaak minder dan wij, maar ook zijzelf soms denken. Leerlingen worden hiervan bewust gemaakt en krijgen strategieën aangeboden om zelf begrip te controleren. Leerkrachten zijn hier in de instructie voortdurend alert op, geven samenvattingen en stellen controlevragen.

E10

Het model van directe instructie wordt gehanteerd en richt leerlingen op het doel en opbrengst van de lesactiviteit.

E11

Reguliere methodes worden gebruikt in het onderwijs aan ESM-leerlingen. Het niveau van taalvaardigheid van leerlingen binnen een groep is vaak zeer uiteenlopend.
De leerkracht past de lesstof aan op het begripsniveau van de leerlingen. Hij differentieert hiermee binnen de groep.

A

Didactisch klimaat

AssA9

De medewerker communiceert op een cognitief neutrale manier. Humor en emotie worden gedoceerd ingezet en expliciet benoemd.

AssA11

Concept Ondersteunende Communicatie wordt ingezet om het betekenisaspect te kunnen waarnemen. Het gaat hierbij om ondersteunend gebruik van vormstabiele communicatievormen aangepast aan de actuele mogelijkheden van vormwaarneming en betekenisverlening. De verwijzer wordt daarbij altijd eerst in de betekeniscontext aangeboden.

AssA12

Transfer van kennis en vaardigheden naar andere situaties krijgt specifieke aandacht.

E

Aangepaste instructie

AssE6

Overgangen in de onderwijssituatie worden benoemd en/of gevisualiseerd en rustig en nadrukkelijk genomen.

C

Specialistisch en intensief  taalonderwijs

AssC3

De medewerker legt expliciet aan de leerling uit welk taalgebruik wel en niet past bij specifieke situaties.

AssC8

Het herkennen van verschillende typen vragen wordt expliciet aangeleerd.

Interventies gericht op sociale relaties en welbevinden.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
F

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

F1

Communicatie- en spraaktaalproblemen hebben invloed op het gedrag, de relaties met anderen en op het welbevinden van ESM-leerlingen. De sociaal-emotionele ontwikkeling verloopt vaak minder voorspoedig.
Een pedagogisch klimaat dat veiligheid en ruimte biedt om te communiceren vanuit eigen mogelijkheden en autonomie draagt bij aan het welbevinden van de leerlingen.
Van jongs af aan wordt in het lesprogramma systematisch aandacht besteed aan de sociaal-emotionele vorming en de training van sociale en communicatieve vaardigheden.

F2

Er wordt gewerkt met de voor de doelgroep beschikbare en ontwikkelde methodes voor sociaal-emotionele ontwikkeling en relaties en seksualiteit.

F3

Er is expliciete aandacht voor de gevoelsmatige en emotionele kant van relaties en seksualiteit.
Door de spraaktaalachterstand is het juist vaak deze kant die onderbelicht raakt.

F4

ESM-leerlingen zijn extra kwetsbaar voor seksueel misbruik.
Het (leren) inschatten van vriendschappen, relaties en seksualiteit is ingebed in het lesprogramma.

F6

Binnen het lesprogramma is expliciet aandacht voor de spraaktaalproblematiek in relatie tot het zelfbeeld.
In het kader van communicatieve en sociale redzaamheid leren de leerlingen strategieën om hun spraaktaalproblematiek in het dagelijks leven zo goed mogelijk te kunnen hanteren. Regels voor gespreksvoering worden bv. Expliciet aangeleerd en geoefend.

F7

De leerlingen worden van jongs af aan zorgvuldig gevolgd in hun sociaal-emotionele ontwikkeling aan de hand van observaties en screeningsinstrumenten. Dit om (vroeg)tijdig te kunnen signaleren en waar nodig te kunnen doorverwijzen.
Indien er sprake is van een risicoscore binnen het klinisch gebied wordt multidisciplinair in samenwerking met ouders en zorginstellingen een passend arrangement geboden om de ontwikkeling te stimuleren en stagnatie en/of problemen te voorkomen (preventie) of te verminderen.

B

Pedagogisch klimaat

B3

Het (weer) plezier krijgen, hebben en houden in communicatie is een belangrijke voorwaarde om verder te kunnen ontwikkelen en leren. Medewerkers stimuleren dit plezier. Vanuit een positieve grondhouding werken medewerkers aan een reëel en positief zelfbeeld van de leerlingen.
Leerlingen leren hun mogelijkheden en onmogelijkheden kennen. Diversiteit in communicatie en ‘zijn’ wordt gewaardeerd. Verschillende communicatieve benaderingen en uitingen (gesproken Nederlands, Nederlands met gebaren, vormen van ondersteunde communicatie, schrift etc.) kennen een gelijke status.

B4

Communicatieve redzaamheid, weerbaarheid en het kunnen participeren in de maatschappij hebben hoge prioriteit.
Leerlingen worden binnen het veilige klimaat uitgedaagd om zelf initiatieven te nemen en oplossingen te bedenken voor het initiëren en het voortzetten van communicatie.

Dit gebeurt behalve in natuurlijke communicatieve situaties ook door communicatieve situaties te simuleren en oefenen.

B5

Kunnen en durven communiceren is een blijvend aandachtspunt. Zeker naarmate leerlingen ouder worden en de spraaktaal-problematiek (voor een deel) niet remedieerbaar blijkt te zijn. Leerlingen krijgen hiervoor compenserende technieken aangeleerd zoals bv. een opschrijfboekje met steekwoorden, leren omschrijven van woorden, voorgestructureerde gesprekken.

B7

Gespreks- en omgangsregels worden expliciet uitgelegd en gevisualiseerd. Sociale situaties worden besproken en gevisualiseerd en geanalyseerd in stappenplannen om deze te leren begrijpen en de kennis te kunnen toepassen in uiteenlopende situaties.

B8

Er wordt systematisch en methodisch gewerkt aan het begrijpen, benoemen en kunnen uitleggen van gevoelens en emoties, zowel verbaal als non-verbaal.

B9

Abstracte gevoelsbegrippen zijn vaak extra moeilijk voor leerlingen in cluster 2. Het veel en herhaaldelijk gebruik van deze begrippen in verschillende contexten draagt bij aan het vermogen om ervaringen, gevoelens en emoties te delen en bespreken.

F

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

AssF1

De methodiek van social story en script wordt ingezet om de leerling inzicht te geven in (complexe) sociale situaties.

AssF3

Met de leerling wordt besproken/gereflecteerd op de gevolgen die een ASS kan hebben op het leven van alle dag, zowel wat de leerling zelf betreft  als de omgeving.

AssF5

Bij afstemmingsproblemen tussen de leerling met een ASS en zijn medeleerlingen wordt concreet, talig en cognitief gestuurd naar de nodige aanpassing.

AssF6

Sociale situaties die structureel tot frustratie leiden worden consequent en specifiek talig en cognitief begeleid of (indien nodig) tijdelijk vermeden.

B

Pedagogisch klimaat

AssB7

De medewerker (her)kent de stresssignalen van de leerling en geeft hoge prioriteit aan stressreductie door het benoemen/uitleggen en analyseren van de situatie.

Individuele begeleiding binnen de reguliere klas of daarbuiten in een speciale ruimte.

Inzetten van pre-teaching en re-teaching individueel en groepsgericht.

Audiologische ondersteuning (gebruik soloapparatuur waar nodig).
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A21

Voor leerlingen met problemen in de auditieve verwerking wordt solo-apparatuur ingezet. Het gebruik van deze apparatuur wordt systematisch geëvalueerd.

Logopedische ondersteuning op het taalcurriculum.

Leerlingen kunnen ingebracht worden bij een commissie van begeleiding cluster 2. Deze commissie is op afroep beschikbaar.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A24b

Op de school waar de medium onderwijsarrangement voorziening is gevestigd is niet per definitie een CvB ingesteld. Externe begeleiders/ambulante dienstverleners kunnen in samenspraak met de procesbewaker leerlingen inbrengen voor een multidisciplinaire bespreking.

Ten behoeve van de docenten

Adviseren bij het schrijven van het ontwikkelingsperspectief met name rond belemmerende factoren cluster 2 gerelateerd.

Advisering rond didactisch klimaat dat communicatie en taalontwikkeling stimuleert.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A2

De communicatie en instructie is toegankelijk en begrijpelijk.

  • Er wordt rustig gesproken
  • Er is aandacht voor een goede signaal-ruisverhouding. De medewerker is zich bewust van het effect van achtergrondgeluid.
  • De communicatie en instructie worden intensief gevisualiseerd: concreet materiaal, afbeeldingen, picto’s, foto, film, gebaren etc.
  • De communicatie en het taalaanbod sluiten aan bij het begripsniveau van de leerlingen.
  • Mondelinge informatie wordt zoveel mogelijk ook schriftelijk (bv. in beeld, woord, picto) vastgelegd en is niet vluchtig.
A5

Ontwikkeling, herstel en/of compensatie van de communicatieve functies staat centraal in het onderwijsprogramma.

A6

Er is een rijke taal-/leeromgeving. De leraar stemt deze omgeving af op de zone van de naaste ontwikkeling van de groep en van de individuele leerling. De omgeving sluit aan bij de communicatieve en talige doelstellingen.
De lesruimte biedt overzicht en structuur maar lokt tegelijkertijd uit tot communiceren. Concreet materiaal en voorwerpen in relatie tot de lesstof die behandeld wordt, zijn ‘blijvend’ aanwezig in de klas. Leerlingen krijgen zo de gelegenheid en worden gestimuleerd om hier hun talige uitingen aan te verbinden.

A7

Het didactisch klimaat is expliciet gericht op het stimuleren van communicatie en taalontwikkeling binnen betekenisvolle situaties.

A8

De communicatie wordt gestructureerd. Medewerkers geven de leerling in reactie op een communicatieve uiting een ontvangstbevestiging, geven de uiting van de leerling terug en breiden deze waar mogelijk uit, aangepast aan het taalbegripniveau van de leerling. Zij gaan hierbij uit van de zone van de naaste ontwikkeling.
Visuele stappenplannen kunnen worden ingezet om de communicatie extra te structureren.
De leerling wordt structuur geboden om een uiting te formuleren en de communicatieve bedoeling effectief over te brengen bv. via de wie-wat-waar-structuur.

A9

Medewerkers wachten en geven tijd om de leerling zelf te laten communiceren. Door ruimte te geven aan leerlingen om vooral zelf te communiceren kunnen leerlingen groeien in hun spraaktaalontwikkeling.

A10

Medewerkers stellen open vragen om de communicatie op gang te helpen. Ze vereenvoudigen deze vragen niet als leerlingen niet direct adequaat talig reageren. Er worden technieken ingezet zoals herformuleren, parafraseren en topicalisatie (onderwerp apart zetten en benadrukken).

A11

Om de leerling zelf een boodschap te laten verwoorden worden naast of in plaats van het gesproken Nederlands ter compensatie ondersteunende gebaren, concreet materiaal, beeldmateriaal, schrift etc. ingezet.

A12

Medewerkers corrigeren de talige uitingen van de leerlingen niet expliciet. Zij geven in hun uiting het goede voorbeeld terug.

A13

Medewerkers dagen leerlingen uit om na te denken over hun eigen taal- en spraakgebruik (reflectie).

A14

In het lesprogramma wordt expliciet gewerkt aan de toepassing van het geleerde naar de talige werkelijkheid van alledag. Leraren grijpen kansen om leerlingen in uiteenlopende contexten geleerde talige uitingen functioneel te laten toepassen.

E

Aangepaste instructie

AssE6

Overgangen in de onderwijssituatie worden benoemd en/of gevisualiseerd en rustig en nadrukkelijk genomen.

Advisering rond specifieke interventies (zie ook t.b.v. leerling).
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A15

Handelingsgericht werken (waaronder diagnostiek) staat aan de basis van de interventies die medewerkers toepassen. De uitkomsten van diagnostiek zijn de basis voor het opstellen van communicatieve en talige doelen op zowel individueel- als groepsniveau. Het ontwikkelingsperspectief van de leerling is hierbij leidend.

A16

Medewerkers hebben inzicht in het spraak-en taalontwikkelingsniveau van de individuele leerlingen. Ze sluiten in hun communicatieve benadering aan op dit niveau door leerlingen talig te benaderen in de zone van de naaste ontwikkeling. Dit gebeurt ten aanzien van de woordenschat, de grammaticale ontwikkeling op woord- en zinsniveau en ten aanzien van het gebruik van de taal in specifieke situaties.

A17

Leraar en logopedist formuleren gezamenlijk de communicatieve en talige benadering van de leerling.

A19

De sociale aspecten in de communicatie en interactie krijgen expliciet aandacht en worden waar nodig getraind. Het gaat om beurtwisseling, vraag-antwoord strategieën, responsieve reacties en strategieën om te kunnen deelnemen aan de interactie.
De inzet van scripts helpt leerlingen om de sociale aspecten van de communicatie inzichtelijk te maken en vervolgens in te oefenen.

A20

Discussiëren is een moeilijke vaardigheid voor veel leerlingen met ernstige spraaktaalmoeilijkheden en is, zeker voor oudere leerlingen een belangrijk onderwijsdoel.

A21

Voor leerlingen met problemen in de auditieve verwerking wordt solo-apparatuur ingezet. Het gebruik van deze apparatuur wordt systematisch geëvalueerd.

Samen werken met de (vak)docent in de rol van co-teacher.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Leerlijnen cluster 2 (CED) worden gevolgd als het reguliere curriculum niet voldoende aansluit bij het ontwikkelingsperspectief van de leerling.

Ten behoeve van de school

Begeleiding (pre-teachting/ re-teaching) geven aan een groepje leerlingen met dezelfde (aan de beperking en/of stoornis gerelateerde) hulpvraag.

Visuele ondersteuning van het leerprogramma. (zo nodig uit depot cluster 2)
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A11

Om de leerling zelf een boodschap te laten verwoorden worden naast of in plaats van het gesproken Nederlands ter compensatie ondersteunende gebaren, concreet materiaal, beeldmateriaal, schrift etc. ingezet.

D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

D3

Er worden hulpmiddelen ingezet om auditieve informatie in het leesonderwijs te visualiseren.
Er wordt gebruik gemaakt van bv. klankgebaren, hak- en plakstroken, afdekkaartjes om structuren in woorden zichtbaar te maken.

E

Aangepaste instructie

E7

Tekstmateriaal en opdrachten die leerlingen niet zelfstandig kunnen verwerken, worden vooraf besproken en voorzien van cues.
Indien mogelijk/noodzakelijk wordt via het schrift, beeld, schema een compacte samenvatting van de lesstof aangeboden.

E8

Bij de verwerking van lesstof worden doelgericht (visuele) handelingswijzers aangeboden om leerlingen in staat te stellen zelfstandig opdrachten te verwerken (stappenplan, mindmappen).

Scholing en voorlichtingen verzorgen voor (vak)docenten/zorgcoördinator.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
B

Pedagogisch klimaat

B4

Communicatieve redzaamheid, weerbaarheid en het kunnen participeren in de maatschappij hebben hoge prioriteit.
Leerlingen worden binnen het veilige klimaat uitgedaagd om zelf initiatieven te nemen en oplossingen te bedenken voor het initiëren en het voortzetten van communicatie.

Dit gebeurt behalve in natuurlijke communicatieve situaties ook door communicatieve situaties te simuleren en oefenen.

B5

Kunnen en durven communiceren is een blijvend aandachtspunt. Zeker naarmate leerlingen ouder worden en de spraaktaal-problematiek (voor een deel) niet remedieerbaar blijkt te zijn. Leerlingen krijgen hiervoor compenserende technieken aangeleerd zoals bv. een opschrijfboekje met steekwoorden, leren omschrijven van woorden, voorgestructureerde gesprekken.

Expertise

Inzet cluster 2 kan bestaan uit directe en indirecte begeleiding. Directe begeleiding is gericht op de onderwijsbehoefe van de leerling(en) en wordt geboden aan de individuele leerling of een groep(je) leerlingen. Indirecte begeleiding is gericht op de ondersteuningsbehoefe van de leerkracht en/of schoolsysteem, en daarmee gericht op deskundigheidsbevordering-cluster2 op de werkvloer en in het schoolteam. Het aanbod wordt op maat gemaakt binnen de kaders van het medium onderwijsarrangement. Cluster 2 heeft in dit onderwijsarrangement ondersteuningsplicht.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Elke medewerker cluster 2 beschikt over specifieke competenties.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A8

De communicatie wordt gestructureerd. Medewerkers geven de leerling in reactie op een communicatieve uiting een ontvangstbevestiging, geven de uiting van de leerling terug en breiden deze waar mogelijk uit, aangepast aan het taalbegripniveau van de leerling. Zij gaan hierbij uit van de zone van de naaste ontwikkeling.
Visuele stappenplannen kunnen worden ingezet om de communicatie extra te structureren.
De leerling wordt structuur geboden om een uiting te formuleren en de communicatieve bedoeling effectief over te brengen bv. via de wie-wat-waar-structuur.

A9

Medewerkers wachten en geven tijd om de leerling zelf te laten communiceren. Door ruimte te geven aan leerlingen om vooral zelf te communiceren kunnen leerlingen groeien in hun spraaktaalontwikkeling.

A10

Medewerkers stellen open vragen om de communicatie op gang te helpen. Ze vereenvoudigen deze vragen niet als leerlingen niet direct adequaat talig reageren. Er worden technieken ingezet zoals herformuleren, parafraseren en topicalisatie (onderwerp apart zetten en benadrukken).

A12

Medewerkers corrigeren de talige uitingen van de leerlingen niet expliciet. Zij geven in hun uiting het goede voorbeeld terug.

A13

Medewerkers dagen leerlingen uit om na te denken over hun eigen taal- en spraakgebruik (reflectie).

A16

Medewerkers hebben inzicht in het spraak-en taalontwikkelingsniveau van de individuele leerlingen. Ze sluiten in hun communicatieve benadering aan op dit niveau door leerlingen talig te benaderen in de zone van de naaste ontwikkeling. Dit gebeurt ten aanzien van de woordenschat, de grammaticale ontwikkeling op woord- en zinsniveau en ten aanzien van het gebruik van de taal in specifieke situaties.

E

Aangepaste instructie

E1

De mondelinge instructie wordt afgestemd op het begripsniveau van de leerling(en). Dit geldt zowel voor de vorm (gesproken Nederlands, Nederlands met gebaren) als voor de inhoud. Het is belangrijk om moeilijke begrippen en nieuwe taal niet te vermijden, wel aan te bieden en er een goede toegankelijke definitie of voorbeeld bij te geven.

E2

De leraar temporiseert verschillende bronnen (mondelinge informatie, videobeelden, plaatmateriaal etc.) van informatie tijdens de instructie.
ESM-leerlingen hebben vaak meer verwerkingstijd nodig.

E3

Het werkgeheugen van ESM-leerlingen is vaak zwakker. Medewerkers passen taken waarbij een beroep gedaan wordt op het onthouden van grotere hoeveelheden informatie aan:

  • Informatie wordt aangeboden in een permanente (visuele) vorm
  • Informatie nodig opgedeeld in kleinere stappen
  • Leerlingen krijgen strategieën aangeboden en aangeleerd om informatie beter te laten beklijven bv. een eigen woordenboek met betekenisvolle zinnen en tekeningen gebruiken, het geleerde inoefenen via verschillende werkvormen.
E4

De leraar structureert de informatie.
Hij geeft regelmatig een terugblik en samenvatting. De leraar stelt controlevragen op het begrip van de instructie.

E5

Om (complexe) lesstof toegankelijk te maken worden leerlingen voorbereid op het onderwerp.
Belangrijke begrippen worden in een betekenisvolle context aangeboden en vooraf uitgelegd (pre-teaching). Voor sommige leerlingen is extra training en herhaling van deze begrippen (re-teaching) noodzakelijk.

E6

Visualisatie en auditieve, tactiele en motorische ondersteuning wordt ingezet bij de instructie.

Zie ook de competenties opgegeven in het competentieprofiel.

De docent cluster 2 is vaardig in NmG.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A3

Bij het gebruik van Nederlands met gebaren (NmG) is de medewerker alert op de kwaliteit van het aanbod van het gesproken Nederlands. Dit betreft de articulatie, het stemvolume en de intonatie, tempo en vloeiendheid en de grammatica. De medewerker vermijdt geen (moeilijke) woorden en versimpelt het taalgebruik niet.
Tevens is de medewerker alert op de kwaliteit van het gebarenaanbod. Het gaat hier om articulatie/uitvoering van de gebaren, tempo en vloeiendheid, het aantal gebaren per zin en een bewuste keuze van de woordsoorten die wel/niet ondersteund worden.

A4

Om NmG op een kwalitatief goed niveau te gebruiken worden medewerkers structureel gecoacht en getraind. Ze worden getoetst op hun vaardigheid. Er zijn minimale beheersingsniveaus voor (verschillende typen) medewerkers geformuleerd.

De medewerker cluster 2 beschikt over kennis van de reguliere en speciale methodes en sluit daar in de ondersteuning bij aan.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A18

Medewerkers gebruiken methodieken die de taal- en denkontwikkeling van leerlingen stimuleren. Verschillende taal- en denkvaardigheden worden getraind, zoals oorzaak-gevolg, overeenkomsten/verschillen en het bedenken van oplossingen.

C

Specialistisch en intensief taalonderwijs

C3

Bestaande taalmethodes worden door de leraar in samen-werking met de logopedist, aangepast en/of aangevuld om de geformuleerde taaldoelen te kunnen behalen.

C5

Het begrijpen en gebruiken van nieuwe woorden is niet vanzelfsprekend bij ESM-leerlingen. De uitbreiding van de woordschat is daarom een belangrijk doel. De didactiek van Verhallen & Verhallen ligt aan de basis van het woordenschat onderwijs.
Er wordt thematisch gewerkt om het opbouwen van mentale netwerken te bevorderen. Nieuwe begrippen worden in verschillende contexten expliciet aangeboden. Er is extra training en herhaling van nieuwe begrippen. Het opbouwen van het juiste concept bij woorden krijgt veel aandacht door een diversiteit aan oefeningen waardoor leerlingen diepe woordkennis kunnen opbouwen.

E

Aangepaste instructie

E11

Reguliere methodes worden gebruikt in het onderwijs aan ESM-leerlingen. Het niveau van taalvaardigheid van leerlingen binnen een groep is vaak zeer uiteenlopend.
De leerkracht past de lesstof aan op het begripsniveau van de leerlingen. Hij differentieert hiermee binnen de groep.

A

Didactisch  klimaat

A23

Medewerkers zetten bewust methodieken in om de communicatie in de thuissituatie te bevorderen.
(bv. een communicatieschrift of dagagenda met foto’s en korte beschrijving voor jonge leerlingen, cursusaanbod, voorlichting.)

F

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

AssF1

De methodiek van social story en script wordt ingezet om de leerling inzicht te geven in (complexe) sociale situaties.

De docent /medewerker cluster 2 heeft kennis over en is vaardig in omgaan met eigentijdse en op interactie gerichte communicatiemiddelen. Bijvoorbeeld Smartborden en andere vormen van digitale communicatie die ondersteunend zijn voor dove en slechthorende leerlingen.

De docent/ medewerker cluster 2 heeft kennis over en ervaring in vormen van pre-teaching, re-teaching, teamteaching en co-teaching.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Er is een competentieprofiel beschikbaar leerkracht cluster 2. Bij werving en selectie en bij opleiding vormt dit profiel het uitgangspunt.

Multidisciplinaire beschikbaarheid van een logopedist, orthopedagoog, psycholoog, eventueel op consultbasis audioloog en KNO-arts. (Omvang nader uit te werken per specifiek onderwijsarrangement.)

Hoeveelheid aandacht/tijd

Voor het medium onderwijsarrangement is er 3 tot 5 dagen in de week expertise cluster 2 aanwezig. De inzet wordt enerzijds bepaald door het budget en anderzijds door de contractering tussen klant en cluster 2.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Voor een medium onderwijsarrangement is een nog nader te bepalen hoeveelheid uren per leerling beschikbaar.

De invulling van de deskundigheid is afhankelijk van de behoefte en de context waarin de begeleiding plaatsvindt.

Voor het medium onderwijsarrangement zijn, afhankelijk van de behoefte, de volgende functies inzetbaar:

  • Een medewerker cluster 2 en/of docent
  • Een leerkrachtondersteuner cluster 2
  • Logopedische ondersteuning
  • Een projectleider/teamleider cluster 2
  • CvB cluster 2 op afroep

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Vanuit het reguliere onderwijs is er ondersteuning door IBer/zorgcoördinator op het reguliere curriculum.

De omvang van de ondersteuning cluster 2 is afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de deelnemende scholieren en het kennisniveau van de reguliere school en de organisatievorm van de tussenvoorziening.

De momenten van speciale onderwijszorg worden in een groep aangeboden of individueel.

Waar nodig ontvangt de reguliere docent de IBer/ zorgcoördinator ondersteuning van een medewerker cluster 2.

De intensiteit van deze externe ondersteuning is afhankelijk van de onderwijsbehoefte van de leerling en het kennis- en vaardigheidsniveau van de betrokken docenten/ zorgcoördinator.

Fysieke omgeving

Een medium onderwijsarrangement wordt gerealiseerd in een reguliere school in reguliere klaslokalen.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

Een medium onderwijsarrangement wordt gerealiseerd in een reguliere school in reguliere klaslokalen.
De ruimte nodigt uit tot communiceren.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Als het nodig (en mogelijk) is om extra structuur aan te brengen qua inrichting en/of akoestiek wordt deze aanpassing gedaan in overleg.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A6

Er is een rijke taal-/leeromgeving. De leraar stemt deze omgeving af op de zone van de naaste ontwikkeling van de groep en van de individuele leerling. De omgeving sluit aan bij de communicatieve en talige doelstellingen.
De lesruimte biedt overzicht en structuur maar lokt tegelijkertijd uit tot communiceren. Concreet materiaal en voorwerpen in relatie tot de lesstof die behandeld wordt, zijn ‘blijvend’ aanwezig in de klas. Leerlingen krijgen zo de gelegenheid en worden gestimuleerd om hier hun talige uitingen aan te verbinden.

Er kunnen prikkelarme werkplekken worden gerealiseerd.
Er is een extra lokaal beschikbaar voor speciale ondersteuning in het medium onderwijsarrangement.

Samenwerking

In het medium onderwijsarrangement wordt indien nodig samengewerkt met andere instanties. De instellingen cluster 2 werken ook nauw samen met de ouders.

Setting binnen de klas

Setting binnen de klas

In het medium onderwijsarrangement wordt indien nodig samengewerkt met andere instanties.

De verantwoordelijkheid voor contacten met ouders en andere instanties ligt bij de reguliere school.

De medewerker cluster 2 geeft waar nodig adviezen aan ouders over het stimuleren van communicatie en spraaktaalontwikkeling in de thuissituatie.
Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
F

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

F8

Er is beleid geformuleerd ten aanzien van ouderbetrokkenheid op het gebied van welbevinden, relaties en seksualiteit en weerbaarheid. Om leer- en ontwikkeldoelen te behalen wordt in samenwerking met de zorg aan ouders ondersteuning in de communicatie en de opvoeding geboden.

Setting binnen de school

Setting binnen de school

Andere instanties kunnen zijn:

  • Vervolgonderwijs
  • Werkpad
  • Stagebureau
  • Logopedie
  • Audiologisch centrum
  • Jeugdzorg
  • Gezinsbegeleiding (CJG)

Uitstroom naar licht onderwijsarrangement

De leerling heeft aantoonbaar geprofiteerd van het medium onderwijsarrangement. De begeleiding heef geresulteerd in het kunnen volgen van het onderwijsaanbod in een reguliere setting. Ondersteuning op het gebied van de communicatieve redzaamheid is nog in lichte vorm nodig.

Uitstroom naar intensief onderwijsarrangement

Het aanbod in het medium onderwijsarrangement blijkt onvoldoende aan te sluiten op de onderwijsbehoefe van de leerling. De gestelde doelen gekoppeld aan het ontwikkelingsperspectief vragen om een intensiever vorm van ondersteuning in een andere aangepaste fysieke omgeving.

Uitstroom

De leerling ontwikkelt zich volgens het opgestelde ontwikkelingsperspectief. De doelen in de begeleiding zijn behaald.
De reguliere school is in staat de benodigde ondersteuning te bieden. De ondersteuning van cluster 2 is niet meer nodig.