Extra kwaliteitsindicatoren voor het onderwijs aan leerlingen met een communicatieve en/of auditieve beperking in combinatie met een Autisme Spectrum Stoornis (ASS)

Het document benoemt kwaliteitsindicatoren voor het onderwijs aan leerlingen met een communicatieve en/of auditieve beperking in combinatie met een Autisme Spectrum Stoornis in cluster 2.
De kwaliteitsindicatoren zijn aanvullend op de procesbeschrijving en kwaliteitsindicatoren zoals beschreven in de reeds eerder verschenen deeldocumenten voor het onderwijs aan dove en slechthorende leerlingen en leerlingen met ernstige spraaktaalmoeilijkheden.   

Naast het document zijn ook de volgende documenten beschikbaar:

Indicatoren

Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch klimaat

AssA1

De communicatie wordt (op basis van een logopedisch assessment, interview en observatie) aangepast aan de mogelijkheden van de leerling met een ASS, zowel wat het niveau van betekenisverlening betreft als de mogelijke ondersteunende middelen (objecten, pictogrammen, geschreven taal).

AssA2

De communicatie is concreet, expliciet een eenduidig.

AssA3

De communicatie wordt getemporiseerd.

AssA4

De communicatie wordt gevisualiseerd.

AssA5

De medewerker heeft een rustig spreek- of gebaartempo en hanteert relatief korte zinnen.

AssA6

De context waarbinnen de communicatie plaatsvindt is eenduidig. De medewerker verduidelijkt en verbreedt de context.

AssA7

De medewerker volgt de communicatieve uiting van de leerling en duidt deze expliciet.

AssA8

De medewerker geeft de leerling tijd nadat een vraag gesteld is. Er wordt geen nieuwe vraag gesteld als de leerling niet direct reageert.

AssA9

De medewerker communiceert op een cognitief neutrale manier. Humor en emotie worden gedoceerd ingezet en expliciet benoemd.

AssA10

De interactie wordt gestructureerd door het beurtgedrag te reguleren/visualiseren.

AssA11

Concept Ondersteunende Communicatie wordt ingezet om het betekenisaspect te kunnen waarnemen. Het gaat hierbij om ondersteunend gebruik van vormstabiele communicatievormen aangepast aan de actuele mogelijkheden van vormwaarneming en betekenisverlening. De verwijzer wordt daarbij altijd eerst in de betekeniscontext aangeboden.

AssA12

Transfer van kennis en vaardigheden naar andere situaties krijgt specifieke aandacht.

B

Pedagogisch klimaat

AssB1

Contextverduidelijking, rust, structuur, overzicht en voorspelbaarheid vormen de basis van het pedagogisch klimaat. Zeker als het gaat om sociale situaties en/of het verwerken complexe informatie.

AssB2

Via communicatie wordt gereflecteerd op voorvallen en situaties. Deze voorvallen worden samen met de leerling in kleine stapjes geanalyseerd en besproken. Hiermee wordt inzicht en veiligheid gecreëerd.

AssB3

De medewerker is zich voortdurend bewust van het feit dat volledige voorspelbaarheid niet mogelijk is. Men anticipeert hierop door te expliciteren wat er (onverwacht) gebeurt.

AssB4

Voorlichting voor medeleerlingen creëert begrip en daarmee veiligheid voor de leerling met een ASS. Medeleerlingen krijgen vaardigheden aangereikt waarmee ze hun klasgenoot kunnen ondersteunen. Voor deze voorlichting worden programma’s gehanteerd die ontwikkeld zijn voor de doelgroep.

AssB5

De medewerker geeft informatie over wat een uiting van een leerling met een ASS voor de gesprekspartner kan betekenen en heretiketteert deze samen met de leerling.

AssB6

Gewenste gedragsveranderingen worden cognitief en talig benoemd en door middel van een  rolmodel aangestuurd. Scoren en belonen spelen hierin een belangrijke rol.

AssB7

De medewerker (her)kent de stresssignalen van de leerling en geeft hoge prioriteit aan stressreductie door het benoemen/uitleggen en analyseren van de situatie.

C

Specialistisch en intensief  taalonderwijs

AssC1

Het taalonderwijs richt zich expliciet op sociaal adequaat taalgebruik.

AssC2

De leerkracht, logopedist en overige begeleiders stellen gezamenlijk doelen op om sociaal adequaat taalgebruik te stimuleren. Eén op één training, begeleide training in de klas en vervolgens zelfstandige toepassing is hierbij het uitgangspunt.

AssC3

De medewerker legt expliciet aan de leerling uit welk taalgebruik wel en niet past bij specifieke situaties.

AssC4

Luisterhouding, beurtgedrag, en aansluiten bij de vorige spreker krijgt doelgericht aandacht.

AssC5

De leerlingen leren de specifieke betekenis van geboden informatie in een bepaalde context, het verschil tussen een mening en een feit, het verschil in betekenis van homoniemen en de overeenkomstige betekenis van synoniemen.

AssC6

Impliciet, figuurlijk en abstract taalgebruik wordt verduidelijkt.

AssC7

Het leren onderscheiden van hoofd- en bijzaken is een belangrijk doel.

AssC8

Het herkennen van verschillende typen vragen wordt expliciet aangeleerd.

AssC9

Mono-betekenisgeving wordt voorkomen door begrippen te koppelen aan vele contexten. Begrippen worden gekoppeld aan gerelateerde begrippen (mindmappen).

D

Specialistisch en intensief leesonderwijs

AssD1

Er wordt veel aandacht besteed (expliciet) aan de functionaliteit van het lezen. Steeds opnieuw wordt aangeleerd dat lezen een (communicatieve) functie heeft en niet alleen in de leesles.

AssD2

Deelvaardigheden worden expliciet benoemd. Nieuwe leerstappen in het leesproces worden met het kind genomen. Deze stappen worden blijvend benoemd, gevisualiseerd en veelvuldig geoefend.

AssD3

Klankteken koppeling is vaak niet vanzelfsprekend voor kinderen met autisme. Klankondersteunende gebaren (liefst aansluiten bij de realistische wereld van het kind) of oproepwoorden/kaartjes (slang voor s) worden ondersteunend ingezet.

AssD4

Het leren lezen van hoofdletters krijgt extra aandacht. Het is een andere letter.

AssD6

In elke leessessie wordt de strategie: lees  –  stel je voor  -  begrijp gehanteerd. Veel aandacht wordt besteed aan betekenisgeving van woorden en context.

AssD5

Het opslaan van leesvaardigheden en betekenissen wordt veelvuldig geoefend. Effectieve opslag wordt bevorderd door de franjes te beperken en eenduidige oefeningen/strategieën in te zetten.

AssD7

Voorlezen wordt gebruikt om het kinderen mogelijk te maken om vanuit het geheel naar delen te komen.

AssD8

Bij begrijpend lezen wordt gestart met korte stukjes tekst en bijpassende vragen in de volgorde van de verhaallijn. Langere stukken tekst worden eerst opgedeeld. Voor het vinden van vragen in willekeurige volgorde in een langere tekst worden leerlingen zoekstrategieën aangeboden. 

AssD9

De leerkracht is alert op preoccupaties, fascinaties of angstige associaties. Deze kunnen het lezen in de weg staan. Woorden of teksten die dit oproepen, worden vermeden.

E

Aangepaste instructie

AssE1

De leerkracht geeft expliciet aan dat hij instructie geeft en waarom.

AssE2

In de instructie voor een activiteit wordt wie, wat, waar, hoe en wanneer expliciet benoemd.

AssE3

De tijd en sequentie worden gestructureerd aan de hand van visuele hulpmiddelen.

AssE4

De ruimte wordt gestructureerd. Er is een vaste plek voor specifieke activiteiten en materiaal.

AssE5

De lesopbouw is duidelijk en wordt expliciet uitgelegd.

AssE6

Overgangen in de onderwijssituatie worden benoemd en/of gevisualiseerd en rustig en nadrukkelijk genomen.

AssE7

Schema’s en/of stappenplannen worden ingezet ter ondersteuning van het denken en handelen van de leerling.

AssE8

Mindmappen wordt ingezet als ondersteunende methodiek om de context te expliciteren en verbanden aan te brengen. Vanuit geheel wordt gewerkt naar het detail. De vragen wie, wat, waar, wanneer, hoe staan hierbij centraal.

F

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

AssF1

De methodiek van social story en script wordt ingezet om de leerling inzicht te geven in (complexe) sociale situaties.

AssF2

Aspecten op het gebied van sociale situaties, vriendschappen en seksualiteit worden expliciet uitgelegd en besproken.

AssF3

Met de leerling wordt besproken/gereflecteerd op de gevolgen die een ASS kan hebben op het leven van alle dag, zowel wat de leerling zelf betreft  als de omgeving.

AssF4

Gezichts- en lichaamsuitdrukkingen van gesprekspartners / anderen worden expliciet benoemd, nagespeeld en uitgelegd.

AssF5

Bij afstemmingsproblemen tussen de leerling met een ASS en zijn medeleerlingen wordt concreet, talig en cognitief gestuurd naar de nodige aanpassing.

AssF6

Sociale situaties die structureel tot frustratie leiden worden consequent en specifiek talig en cognitief begeleid of (indien nodig) tijdelijk vermeden.

AssF7

Er wordt direct en adequaat ingegrepen op pest- of verondersteld pestgedrag. Met de leerling zelf en met de medeleerling wordt de situatie geanalyseerd.

AssF8

Bij samenwerkingsopdrachten wordt gewerkt met scripts.

Literatuur:

Wilma Denteneer-van der Pasch & Roger Verpoorten. Autisme Spectrumstoornissen. Basisbegrippen en inleiding tot concept ondersteunende communicatie. Viataal, 2007.

Kenmerkende taalaspecten bij leerlingen met een autisme spectrum stoornis met ambulante begeleiding vanuit cluster twee. Koninklijke Auris Groep.

Johan van der Hart. Leren lezen bij autisme. Koninklijke Auris Groep.