Procesbeschrijving en Kwaliteitsindicatoren voor het onderwijs aan leerlingen met doofblindheid in cluster 2

Het document beschrijft het proces en benoemt kwaliteitsindicatoren voor het onderwijs aan leerlingen met doofblindheid in cluster 2. Hieronder worden begrepen de leerlingen met:

De kwaliteitsindicatoren zijn in de tekst vetgedrukt weergegeven. Ook wordt verwezen naar de deeldocumenten die betrekking hebben op de procesbeschrijving en kwaliteitsindicatoren voor het onderwijs aan dove en slechthorende leerlingen en leerlingen met ernstige spraaktaalmoeilijkheden.

Naast het document  zijn ook de volgende documenten beschikbaar:

Indicatoren

Kwaliteitsindicatoren
Categorie Indicator Omschrijving
A

Didactisch  klimaat

A1

Om optimale toegang tot informatie, interactie en communicatie te realiseren wordt op basis van een multidisciplinair assessment en diagnostische interventie de meest afgestemde vorm van interactie/ communicatie voor een leerling gekozen. De centrale vraag is wat de specifieke leerling op het gebied van interactie en communicatie nodig heeft om zich maximaal te kunnen ontwikkelen zowel op school als in de thuis-  en/of zorgsituatie.
Het gaat hier niet om een eenmalig assessment maar om dynamische handelingsgerichte diagnostiek waarbij op opeenvolgende momenten in de ontwikkeling deze vraag beantwoord wordt. Dit betekent dat de interactie en communicatie in de verschillende fases van ontwikkeling wordt afgestemd op de specifieke behoeften en mogelijkheden van de leerling. Het netwerk van de leerling (ouders, vrienden, bekenden) wordt hierbij betrokken.

A2

Mogelijkheden om een meest afgestemde vorm van interactie en communicatie te realiseren:

  • Hanteren van de principes van het natuurlijk leren met aandacht voor de nabijheidszintuigen (tast, propriocepsis, reuk, smaak)
  • Uitgaan van een multimodale benadering, afgestemd op de situatie
  • De inzet van Ondersteunde Communicatie:
    - motorisch-visuele communicatievormen (waaronder lichaamssignalen en gebarensystemen)
    - grafisch-visuele communicatievormen (waaronder tekeningen, foto's, picto’s, symbolen)
    - 3 dimensionale- tactiele communicatievormen (voorwerpen als verwijzers, braille)
    - Akoestisch/geluid gerelateerde communicatievormen (waaronder spraakklanken)
  • Conceptondersteunende communicatie voor leerlingen met DB waarbij sprake is van comorbiditeit met Autisme Spectrum Stoornissen
  • De inzet van Nederlandse gebarentaal of 4-handen (=tactiele) gebaren.
  • Hoorapparatuur of een cochleair implantaat/ hooropvoeding & hoortraining
  • Visuele hulpmiddelen & visustraining
A3

De betrokkenheid van ouders en belangrijke anderen (het sociaal netwerk) van de leerling bij het onderwijsprogramma is cruciaal voor het vergroten van de communicatieve redzaamheid. Voor alle interventies geldt dat ze alleen kans van slagen hebben als ze tot stand komen in dialoog met leerlingen en hun omgeving.
Er is systematisch aandacht voor afstemming en samenwerking tussen school- en thuissituatie en indien van toepassing, de zorg (logeren, wonen).

A4

De communicatie en interactiestijl van de medewerker is toegesneden op de individuele behoeften van de leerling:

  • het tempo, inhoud, gebruik en vorm van de communicatie is afgestemd zodat de leerling in staat is tot waarnemen, uiten en begrijpen.
  • De focus is gericht op fundamentele communicatieve processen (zoals onderhandelen over betekenis, het zich verplaatsen in de intentie van de ander)
  • medewerkers maken contact met de leerling door aan te sluiten bij de communicatieve initiatieven van de leerling, te volgen, te ontvangen, te reageren, te anticiperen en uit te lokken. De medewerker is daarbij in staat het communicatieve perspectief van de leerling in te nemen en daarmee aansluiting te vinden in de interactie en communicatie. Zij zien en waarderen de communicatieve poging van de leerling.
A5

Communicatie, interactie en taalontwikkeling zijn leidend voor het onderwijsprogramma. De logopedist en/of communicatiedeskundige werken nauw samen met de leerkracht.

A6

Veiligheid, rust, vertrouwen, geborgenheid, respect, duidelijkheid, voorspelbaarheid, geduld, warmte en plezier, samen beleven en ontdekken zijn kernbegrippen in het pedagogisch klimaat. Tegelijkertijd worden leerlingen in een dynamische omgeving in hun communicatieve mogelijkheden uitgedaagd. Het gaat hierbij om het zoeken van de balans tussen uitdaging en veiligheid zodat de leerling optimale ontwikkelingskansen krijgt.

A7

Er is continuïteit van medewerkers om belangrijke voorwaarden zoals veiligheid en vertrouwen op te kunnen bouwen.

A8

De individuele communicatieve benadering van de leerling vraagt van het team rondom een leerling een doorlopend reflecteren op eigen handelen. Deze reflectie is gericht op het realiseren van de gestelde doelen en op de effectiviteit van het eigen handelen. In multidisciplinair overleg met ouders, expert DB, orthopedagoog, leerkracht en eventueel andere deskundigen kan de benadering worden aangepast.

A9

De afstemming van communicatieve modaliteiten tussen leerkracht en leerling is essentieel in het onderwijsprogramma. De nadruk ligt daarbij op de tactiele modaliteit.
Medewerkers zijn opgeleid in tactiele interactie en communicatie.

B

Didactisch en pedagogisch klimaat dat zelfstandigheid, zelfredzaamheid en mobiliteit stimuleert

B1

Zelfontplooiing en zelfbepaling en het bevorderen van een volwaardige deelname aan de maatschappij binnen de mogelijkheden van de leerling staan centraal in het onderwijsprogramma. Het ontwikkelingsperspectief van de leerling is hierbij leidend.

B2

Zelfstandigheid en (sociale, praktische en communicatieve) zelfredzaamheid worden bevorderd door:

  • het stimuleren van autonomie in de persoonlijke verzorgingsactiviteiten en in ADL activiteiten. Deze dagelijkse activiteiten worden aangegrepen voor betekenisvolle interactie- en communicatie.
  • het werken vanuit de opbouwprincipes meedoen, samen doen, deels samen doen, deels zelf doen en zelf doen. Door het aanbieden van op de leerling afgestemde (visuele) handelingsscenario’s/ script worden leerlingen ondersteund. De activiteiten gaan vergezeld van op de leerling toegesneden communicatie en interactie.
B3

Medewerkers benutten de alledaagse en betekenisvolle werkelijkheid voor pedagogische en communicatieve leermomenten.

B4

Vanuit een veilige en overzichtelijke omgeving wordt oriëntatie en mobiliteit bevorderd. De medeweker laat de leerling actief waarnemen en relevante informatie selecteren. De leerling leert hieraan relevante betekenis te koppelen die hem in staat stelt de eigen positie binnen de ruimte te bepalen.

C

Stimuleren van overige ontwikkelingsgebieden

C1

De variëteit aan mogelijkheden en beperkingen bij leerlingen met doofblindheid is groot. Naast de uiteenlopende mate van gehoor- en visus verliezen manifesteert doofblindheid zich ook vaak vanwege co- morbiditeit met andere beperkingen zoals verstandelijke beperkingen, neurologische stoornissen, motorische beperkingen en stoornissen in het autisme spectrum.
Aan de basis van het onderwijstraject staat een functioneel multidisciplinair assessment. Observatie is een belangrijk onderdeel van dit assessment. Het assessment is dynamisch en vindt plaats in samenwerking met ouders. Het assessment maakt deel uit van een methodisch-cyclisch interventietraject.

Het ontwikkelingsperspectief van de leerling is leidend.Naast de vraag hoe de toegang tot interactie en communicatie (en het leren van taal) gerealiseerd kan worden, wordt in kaart gebracht wat de mogelijkheden van de leerling zijn op het gebied van de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling, de zelfredzaamheid, zelfstandigheid, oriëntatie en mobiliteit, dagelijkse en schoolse vaardigheden.

 

C2

Specifieke interventies voor leerlingen met doofblindheid:

  • Interactie en communicatie interventies        
  • Sensomotorische stimulering ter compensatie van de auditieve en visuele beperking
  • Kijk- en visustraining
  • Oriëntatie- en mobiliteitstraining
  • Leren omgaan met en acceptatie van hulpmiddelen
  • Stimulering primaire mondfuncties
  • sociaal-emotionele ondersteuning bij (vroeg) verworven doofblindheid
  • doofblinden cultuur
C3

Bij leerlingen met doofblindheid is vaak sprake van comorbiditeit. Medische aspecten vragen aandacht bij een groot aantal leerlingen met doofblindheid. Syndromen hebben biologische en gedragsmatige gevolgen. Het lesprogramma is hierop afgestemd.

D

Specialistisch en intensief taalonderwijs

D1

Om bij de leerlingen die toe zijn aan een vorm van symbolische communicatie de taalontwikkeling te stimuleren wordt thematisch gewerkt aan de opbouw van gebaren- en/of woordenschat. Ervarend leren staat hierbij centraal: een ontwikkelingsgerichte houding werkend vanuit de zone van de naaste ontwikkeling.
De leerling leert vanuit een concrete situatie waarin het opdoen van ervaringen het uitgangspunt is voor het leren. De ervaringen worden gezamenlijk gecreëerd en doorleefd. Aan deze ervaringen worden voor de individuele leerling passende communicatie, interactie en vaardigheden gekoppeld. De noodzaak voor het ervarend leren geldt voor leerlingen van alle leeftijden en beperkt zich niet tot de jonge leeftijdsgroepen. De ervaringen zijn verrijkend en stimuleren het ontwikkelen van relaties met anderen en met de omgeving.

D2

Het taalonderwijs richt zich vooral op praktisch en functioneel taalgebruik, afgestemd op het delen van individuele intenties, gedachten en emoties. Zelfstandigheid en (communicatieve) zelfredzaamheid en declaratieve communicatie staan hierin centraal.

E

Ontwikkeling van geletterdheid

E1

Voor een aantal leerlingen met doofblindheid is het mogelijk om aan doelen op het gebied van geletterdheid te werken. Het concept van geletterdheid wordt breed opgevat: een visueel en vormvast communicatiemiddel zoals picto’s, logo’s, swellpaper-afbeeldingen en gebarentekeningen, geschreven letters en woorden, braille.

E2

Zo vroeg mogelijk wordt geletterdheid spelenderwijs gestimuleerd door het samen herbeleven en vastleggen van gedeelde ervaringen of door het samen boekjes kijken en (interactief) voorlezen.
Door een ervaring samen opnieuw te beleven in de klasse-situatie of door een verhaal na te spelen worden leerlingen zo concreet mogelijk betrokken bij de inhoud.

E3

Ervaringsgericht lezen en schrijven maken onderdeel uit van het lesprogramma. Leerlingen experimenteren met geschreven taal.

E4

Een aantal leerlingen is in staat om methodisch te leren lezen. Hiervoor zijn passende methodes in de school aanwezig. De leerkracht is in staat deze methode waar nodig aan te passen aan de mogelijkheden van de leerling.

F

Aangepaste leeromgeving en instructie

F1

Voor leerlingen met doofblindheid is dit een veilige en voorspelbare maar ook dynamische omgeving. De verschillende leefsferen (school, zorg en thuis) worden nadrukkelijk op elkaar afgestemd.

F2

Betekenisvol en samenhangend leren staat centraal.  Voor de meeste leerlingen is dat leren individueel en sterk context bepaald. In dit leren is veel herhaling ingebouwd. Dit is nodig voor het opbouwen van een (tactiel) beeld van de (functie van) een voorwerp, ruimte, persoon of gebeurtenis.

F3

De leeromgeving is fysiek veilig ingericht met herkenbare  maar soms ook nieuwe elementen die de nieuwsgierigheid van de leerling kunnen prikkelen.

F4

Ten behoeve van interactie- communicatie en taalontwikkeling kunnen concrete materialen gebruikt (om initiatieven van leerlingen te ondersteunen).

F5

De leerlingen krijgen kansen om eigen vragen te stellen en oplossingen te bedenken voor overzienbare en betekenisvolle problemen.

F6

Voor veel leerlingen met doofblindheid wordt uitgegaan van activiteiten afgestemd op de individuele interesse en motivatie. De activiteit wordt gezamenlijk met de volwassene (en wanneer mogelijk met andere kinderen) ervaren en beleefd. Deze activiteit is zo ingericht dat de nieuwsgierigheid van de leerlingen geprikkeld wordt. Ervaringen van de leerlingen zijn uitgangspunt. Foto’s en film, beeld, concrete  materialen, (tactiele) tekeningen, schrift, braille worden voor leerlingen ingezet ter ondersteuning van het leerproces. Zo kunnen de leerlingen hun ervaringen herbeleven en delen met anderen waardoor de communicatie wordt gestimuleerd.

F7

De medewerker is in staat om methodische uitgangspunten te vertalen naar dagelijkse exploratie- en zelfredzaamheidactiviteiten. Hij begeleidt deze met passende interactie en communicatie.

F8

Voor een aantal leerlingen ondersteunen visuele of tactiele scripts het uitvoeren van activiteiten en taken. Deze scripts zijn gevisualiseerde of tactiel uitgewerkte stappenplannen.

F9

Lichamelijke-, ruimtelijke-,  tijdsoriëntatie en mobiliteit wordt expliciet aangeboden en getraind in het onderwijsprogramma.

F10

Waar nodig vinden aanpassingen plaats op het gebied van verlichting, kleuren en contrasten. Worden technische hulpmiddelen in de vorm van klasse- of soloapparatuur, leesloep brailleleesregel ed. ingezet om informatie meer toegankelijk te maken.
Ook worden er diverse visuele en tactiele middelen ingezet ter ondersteuning van de oriëntatie.
Het gaat hier bv. om aangepaste bestrating en blindengeleide relingen.

G

Bevordering van sociale relaties en welbevinden

G1

Zelfbeleving, zelfbesef, competentie en autonomie krijgen expliciet aandacht in het onderwijsprogramma. Hiervoor zijn doelen geformuleerd.

G2

Expliciete aandacht voor en uitleg over het lichaam, relaties en seksualiteit is naast het leren omgaan met het eigen lichaam en de ander voor alle leerlingen met doofblindheid van groot belang. Hierbij wordt gebruik gemaakt van methodieken die gericht zijn op het ontwikkelen van sensomotoriek en lichaamsbesef. Ook sociale vaardigheid- en weerbaarheidtraining kunnen hiervan deel uitmaken. In alle fases van de ontwikkeling worden doelen benoemd op het gebied van het besef van en leren omgaan met het eigen lichaam, relaties en seksualiteit.

G3

Durven uiten, gebaren en/ of spreken wordt gericht gestimuleerd door positieve bevestiging van communicatieve uitingen van leerlingen.

G4

De medeweker geeft ruimte aan de communicatieve initiatieven van de leerling, heeft aandacht voor het delen van aandacht en voor de intenties van de leerling en durft open te interpreteren (declaratieve communicatie).

G5

De medewerkers denken in mogelijkheden. Dit is waarneembaar in gedrag en communicatie van de medewerkers.

G6

Positief en negatief gedrag van leerlingen heeft betekenis en een vorm van communicatie. Om het leren mogelijk te maken kan het nodig zijn om specifieke middelen en maatregelen in te zetten. Het gaat bij de inzet hiervan niet om inperking van mogelijkheden van de leerling maar om het (weer) mogelijk maken van leren. De inzet van middelen en maatregelen wordt vastgelegd en verantwoord.

Literatuur:

- Balkom van, H (red.) 2009.Communicatie op eigen wijze. Theorie en praktijk in de zorg, het onderwijs en de ondersteuning voor mensen met een auditief-communicatieve en verstandelijke beperking. Acco Leuven/ Den Haag.

- Rødbroe, I. en Janssen, M. 2008. Communicatie en congenitale doofblindheid. Congenitale Doofblindheid en basisprincipes voor interventie. Viataal.

- Kennisteam DB, 2008. Handelingsvisie op doofblindheid. Viataal.

- Knoors, H. & Vervloed. M.P.J ( in press).Educational Programming for Deaf Children with Multiple Disabilities. In M.Marschark & P.E. Spencer (eds). Handbook of Deaf Studies, Language, and Education. vol. 1, 2nd edition. New York: Oxford University Press.

- Onderdelen uit het schoolplan van Kentalis Rafael.